Matigingsbevoegdheid artikel 6:109 BW in uitzonderlijke gevallen ook van toepassing bij vordering artikel 2:248 BW

Als in bestuurdersaansprakelijkheidsprocedures sprake is van matiging van de schadevergoeding door de rechter, spelen in beginsel de matigingsgronden van artikel 2:248 lid 4 BW een rol. Dat een rechter in een dergelijke procedure gebruikmaakt van zijn matigingsbevoegdheid op grond van artikel 6:109 BW is vrij uitzonderlijk. Dit was het geval in deze uitspraak van 23 februari 2022 van de Rechtbank Overijssel.

Matigingsbevoegdheid artikel 2:248 lid 4 BW

Artikel 2:248 lid 4 BW geeft een rechter de bevoegdheid om het bedrag waarvoor een bestuurder op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk is te verminderen. Deze matigingsbevoegheid is aan de orde als het bedrag waarvoor een bestuurder aansprakelijk is gesteld volgens een rechter bovenmatig is. Een rechter kan matigen als daarop een beroep wordt gedaan, maar ook uit eigen beweging (‘ambtshalve’). In artikel 2:248 lid 4 BW worden drie matigingsgronden genoemd. In het kort: 1) het bestaan van andere oorzaken van het faillissement kan een grond voor matiging zijn, 2) de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur en 3) de wijze van afwikkeling van het faillissement.

Matigingsbevoegdheid artikel 6:109 BW

Artikel 6:109 BW regelt het algemene rechterlijke matigingsrecht. Dit artikel bepaalt onder meer dat als toekenning van een volledige schadevergoeding in een concreet geval tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen. In tegenstelling tot artikel 2:248 lid 4 BW is de matigingsbevoegdheid van artikel 6:109 BW niet beperkt tot een aantal gronden.

Vordering curator

In deze zaak heeft een curator Een door de rechtbank aangewezen persoon die is belast met het beheer en de beschikking over het vermogen van een gefailleerde.
» Meer over curator
curator
twee bestuurders (A en B) van een vennootschap in een procedure betrokken. Hij vordert op grond van artikel 2:248 lid 1 BW een declaratoir vonnis Een vonnis waarmee de rechter door middel van een zogenaamde verklaring voor recht een rechtsverhouding tussen partijen vaststelt.
» Meer over declaratoir vonnis
verklaring voor recht
dat zij hun taak onbehoorlijk hebben vervuld en dat die taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De curator vraagt de rechter hen hoofdelijke aansprakelijkheid schuldenaren gezamenlijk aansprakelijk voor een en dezelfde schuld. Betaling van de een werkt bevrijdend voor de ander, jegens de schuldeiser.
» Meer over hoofdelijke aansprakelijkheid
hoofdelijk
te veroordelen voor het failissementstekort, onder betaling van een voorschot daarop.

Onbehoorlijk bestuur

De gefailleerde vennootschap is medio december 2011 opgericht en gefailleerd op 1 april 2015. Bestuurder A was statutair bestuurder tot 1 oktober 2014. Bestuurder B was statutair bestuurder vanaf 1 oktober 2014 en hij was feitelijk al bij de oprichting als bestuurder bij de vennootschap betrokken. Het bestuur heeft niet voldaan aan zijn boekhoudplicht van artikel 2:10 BW. Artikel 2:248 BW bepaalt dat wanneer daaraan niet is voldaan, het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dat vermoeden is weerlegbaar. In deze procedure hebben de bestuurders dat vermoeden echter niet tegengesproken. Daarnaast heeft de curator nog andere handelingen naar voren gebracht op grond waarvan volgens hem sprake is van onbehoorlijke taakvervulling. De bestuurders verweren zich in deze procedure, maar de rechtbank honoreert deze niet en stelt vast dat zij hun taak als bestuurders van de vennootschap kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld, en dat aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Om die reden zijn de bestuurders in beginsel (ieder afzonderlijk) aansprakelijk voor het volledige faillissementstekort.

Beroep op matiging artikel 2:248 lid 4 BW slaagt niet

De bestuurders doen in de procedure een beroep op matiging op grond van artikel 2:248 lid 4 BW. De rechtbank oordeelt dat geen gronden aanwezig zijn voor matiging voor bestuurders A en B gezamenlijk. Daarbij wordt overwogen dat het schenden van de boekhoudplicht in dit geval bijzonder kwalijk is gelet op de vele contante betalingen door en aan de gefailleerde vennootschap. Verder zijn geen andere oorzaken van het faillissement aannemelijk geworden die niet toegerekend kunnen worden aan onbehoorlijk bestuur. Bestuurder A heeft zich in de procedure ook beroepen op individuele matiging van de aansprakelijkheid De gehoudenheid van een persoon of bedrijf om schade ontstaan uit een onrechtmatige daad of wanprestatie te vergoeden.
» Meer over aansprakelijkheid
aansprakelijkheid
. Daarvoor biedt artikel 2:248 lid 4 BW één limitatieve grond, te weten de tijd waarin die bestuurder in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaatsvond. De rechtbank verwerpt dit beroep omdat bestuurder A tot kort voor faillissementsdatum als statutair bestuurder was ingeschreven en niet heeft kunnen aantonen dat de onbehoorlijke taakvervulling zich met name in de periode daarna heeft voorgedaan.

Beroep op matigingsbevoegdheid artikel 6:109 BW

Vervolgens beoordeelt de rechtbank voor bestuurder A of hem in de gegeven omstandigheden een beroep toekomt op de algemene matigingsbevoegdheid van artikel 6:109 BW. Hierbij wordt overwogen dat artikel 6:109 BW ook voor toepassing in aanmerking komt wanneer een bestuurder aansprakelijk is gesteld op grond van artikel 2:248 BW. De rechtbank merkt op dat de wetgever niet heeft gewild dat bestuurders aansprakelijk worden gehouden voor een hoger bedrag dan de schade die door het onbehoorlijke bestuur kan zijn ontstaan. Daarom zijn de matigingsgronden van artikel 2:248 lid 4 BW in het leven geroepen. De rechtbank overweegt in dit kader dat het feit dat limitatief in artikel 2:248 lid 4 BW is bepaald op basis van welke gronden de rechter tot matiging mag overgaan, erin is gelegen dat de rechter zich bij de toepassing van deze matigingsbevoegdheid niet terughoudend moet opstellen. Zonder beperking van de matigingsgronden zou volgens de wetgever afbreuk worden gedaan aan het principe van collectieve verantwoordelijkheid en hoofdelijke aansprakelijkheid schuldenaren gezamenlijk aansprakelijk voor een en dezelfde schuld. Betaling van de een werkt bevrijdend voor de ander, jegens de schuldeiser.
» Meer over hoofdelijke aansprakelijkheid
hoofdelijke aansprakelijkheid
van bestuurders. De begrenzing van de matigingsgronden in artikel 2:248 lid 4 BW, betekent naar het oordeel van de rechtbank níet dat de wetgever de toepasselijkheid van artikel 6:109 BW heeft willen uitsluiten. Uit de wetsgeschiedenis is volgens de rechtbank niet af te leiden dat de wetgever heeft beoogd dat bestuurders die op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk worden gesteld, het moeten stellen zonder de algemene bescherming die artikel 6:109 BW voor uitzonderlijke gevallen beoogt te bieden tegen onaanvaardbare uitkomsten.

Bijzondere omstandigheden

De rechtbank is van oordeel dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden voordoen waaruit volgt dat het onaanvaardbaar is om bestuurder A aansprakelijk te houden voor het volledige faillissementstekort. De rechtbank gaat ervan uit dat zijn betrokkenheid bij het beleid van de gefailleerde vennootschap al in maart 2013 is geëindigd omdat hij wegens zijn ziekte niet meer in staat was behoorlijk te functioneren. Hij was zelf in de veronderstelling dat hij vanaf dat moment ook was uitgeschreven als statutair bestuurder, omdat hij schriftelijk aan bestuurder B had verzocht hem uit te schrijven en gevraagd zijn functie over te nemen. Vanwege het steeds ernstiger worden van diabetes en hartfalen van bestuurder A bleek begin 2013 dat een amputatie van zijn onderbeen noodzakelijk was. Vervolgens heeft deze amputatie in 2014 plaatsgevonden en heeft hij tot begin november 2014 in revalidatiecentra moeten herstellen. Naast dat de curator het bestaan van het schriftelijk verzoek niet heeft betwist, heeft hij ook geen concrete omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat bestuurder A zich na maart 2013 wel degelijk met het bestuur van de gefailleerde vennootschap heeft bemoeid. Daarnaast heeft bestuurder A, ten tijde van de uitspraak 78 jaar oud, aangetoond dat hij door het faillissement zijn gehele oudedagsvoorziening, die hij in de failliete vennootschap had geïnvesteerd, is kwijtgeraakt.

Vanwege deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om het bedrag waarvoor bestuurder A aansprakelijk is op grond van artikel 6:109 BW te matigen tot vijftig procent (50%) van het vast te stellen faillissementstekort.

More in Verbintenissenrecht
Hoge Raad verschaft duidelijkheid over toetsing BKR-registratie

Bij de aanvraag van een hypotheek worden particulieren soms geconfronteerd met een BKR-registratie, waardoor zij de financiering niet rond krijgen....

Close