Welke partij moet bewijzen van wie een handtekening is?

Een recente zaak bij de rechtbank Rotterdam gaat over de vragen (i) welke partij moet bewijzen dat een handtekening onder een overeenkomst Een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere partijen een verbintenis aangaan.
» Meer over overeenkomst
overeenkomst
echt is en (ii) wat de verhouding tussen een kort geding en een bodemprocedure De gerechtelijke procedure waarin een geschil definitief wordt beslist.
» Meer over bodemprocedure
bodemprocedure
is. De rechtbank komt tot een opmerkelijk oordeel. Advocaat procesrecht Lennard Noordzij legt uit.

Arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd?

In deze zaak treedt de eisende partij op 1 juni 2019 in dienst als verkoopster van een meubelwinkel. Eind maart 2020 meldt zij zich ziek. In mei 2020 vindt een gesprek plaats tussen partijen. In dat gesprek heeft werkgever gezegd dat de arbeidsovereenkomst De overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.
» Meer over arbeidsovereenkomst
arbeidsovereenkomst
tussen partijen per 1 juni 2020 afloopt en dat zij die overeenkomst niet zou verlengen. De verkoopster vordert in kort geding doorbetaling van haar loon met wettelijke verhoging. Dit omdat de werkneemster een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou zijn aangegaan. De werkgever betwist dat en stelt dat partijen een jaarcontract sloten. Kern van de discussie draait om de vraag wat voor arbeidscontract partijen sloten. Eén voor onbepaalde tijd of voor een jaar?

Wie moet bewijzen of partijen een jaarcontract sloten?

De rechtbank begint met het oordeel dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet vanzelf eindigt. Zij oordeelt dat de meubelwinkel moet stellen – en zo nodig bewijzen – dat partijen hebben afgesproken dat de overeenkomst na een jaar zou eindigen. De meubelwinkel stelt dat zij een schriftelijke overeenkomst heeft opgesteld. Die zou zijn ondertekend door de verkoopster. Zij brengt een ondertekende arbeidsovereenkomst in het geding. De werkneemster betwist echter dat zij deze heeft ondertekend. De handtekening onder de door de meubelwinkel getoonde overeenkomst, is niet haar handtekening, aldus de werkneemster. Zij wijst erop dat de handtekening afwijkt van haar handtekening zoals op haar paspoort.

Wie moet bewijzen van wie de handtekening op de overeenkomst is?

De rechtbank oordeelt dat het aan de meubelwinkel is om te bewijzen dat de handtekening onder de arbeidsovereenkomst van verkoopster afkomstig is. Indien een partij namelijk stellig ontkent dat het haar handtekening is op een akte Een ondertekend geschrift, bestemd om tot bewijs te dienen.
» Meer over akte
akte
, dan levert deze akte volgens de wet geen bewijs In het Nederlandse procesrecht geldt als hoofdregel dat de rechter alleen die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen, die in de rechtszaak aan hem ter kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die zijn komen vast te staan.
» Meer over bewijs
bewijs
zolang niet is bewezen van wie de handtekening afkomstig is (artikel 159 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit zou anders zijn indien een partij stelt dat het weliswaar zijn handtekening is, maar dat de tekst boven die handtekening is geplakt. Daar schreef ik eerder over.

De rechtbank oordeelt dat (i) de e-mail van werkgever aan werknemer die spreekt over de papieren en (ii) dat de meubelwinkel met al haar werknemers jaarcontracten sluit, niet maakt dat partijen een jaarcontract sloten. Daarnaast lijkt de handtekening op de overeenkomst in kwestie deels op die op de identiteitskaart, maar wijkt daarvan ook af. De handtekening lijkt wel sterk op een handtekening onder het formulier ‘opgaaf gegevens voor de loonheffing’, maar ook daarvan weerspreekt de verkoopster dat het haar handtekening is. Volgens de rechter is daarom niet duidelijk of de handtekening echt is. Dat kan mogelijk door het horen van getuigen of door een deskundigenonderzoek, maar daarvoor is in kort geding geen plaats.

Verhouding kort geding en bodemprocedure

Een logische conclusie is dat nu de meubelwinkel er niet in is geslaagd te bewijzen dat partijen een jaarcontract sloten, de vordering van de verkoopster tot doorbetaling van loon moet worden toegewezen. De rechtbank oordeelt echter anders en wijst de vordering tot doorbetaling van loon af. Volgens de rechter heeft het geen grote gevolgen voor werkneemster als haar vorderingen worden afgewezen. Zij zal dan namelijk een WW-uitkering ontvangen. Als de werkneemster in een te starten bodemprocedure alsnog gelijk krijgt, heeft zij met terugwerkende kracht over de volledige periode recht op loon. Er bestaat daarom volgens de rechtbank – gelet op de onzekerheid van de uitkomst van een gewone procedure – onvoldoende grond om daarop vooruit te lopen.

Conclusie

Dit oordeel van de rechtbank lijkt onjuist. De partij die bewijslast heeft (meubelwinkel) van een bepaald feit (we hadden een jaarcontract), draagt het risico dat zij niet in dat bewijs slaagt en dat de vordering van de tegenpartij (verkoopster) wordt toegewezen. Bewijslast impliceert dus bewijsrisico; heeft een partij de bewijslast van bepaalde feiten, dan loopt die partij het risico de procedure te verliezen bij het onbewezen en onduidelijk blijven van die feiten. De kortgedingrechter heeft echter veel vrijheid. Deze gewone regels van stelplicht en bewijslast zijn niet van toepassing en hij kan zelf bepalen welke feiten hij aannemelijk acht. De rechter schrijft echter in dit vonnis niets over een afwijking van de hoofdregel van het bewijsrecht. Sterker, hij verwijst expliciet naar de hoofdregel van ons bewijsrecht. De rechter lijkt partijen te willen sturen naar een minnelijke regeling.

More in Procesrecht
bindend advies
Is bindend adviseur aansprakelijk voor nadelige gevolgen bindend advies?

Een bindend advies kan alleen worden vernietigd als gebondenheid hieraan in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn. Wordt een beroep...

Close