Niet-ontvankelijk verklaring afkoelingsperiode in WHOA-zaak

De rechtbank Noord-Holland heeft op 29 januari 2021 wederom een uitspraak gedaan in een WHOA-zaak. De schuldenaar heeft een startverklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw gedeponeerd en daarmee tegelijkertijd een verzoek gedaan om het afkondigen van een algemene afkoelingsperiode voor de duur van vier maanden. In dat kader werd ook opheffing gevorderd van door de verhuurder gelegde beslagen op de bankrekeningen en een tweetal woningen van de vennoten van de schuldenaar (een vennootschap onder firma). Marco Guit licht toe.

Afkoelingsperiode en voorziening art. 379 Fw

De verhuurder heeft een vordering van een kleine vijf ton en heeft daarvoor verhaalsbewarende maatregelen getroffen. De vordering an sich wordt door de schuldenaren (de VOF en haar vennoten) niet betwist, maar zij vorderen een afkoelingsperiode en opheffing van de beslagen om uitwinning te voorkomen, hetgeen zij hebben gegrond op artikel 379 Fw voor zover opheffing van beslagen niet onder de reikwijdte van de afkoelingsperiode valt. Het laatstgenoemde artikel maakt het mogelijk voor schuldenaren om voorzieningen, die strekken ter beveiliging van de belangen van schuldeisers of aandeelhouders, te vragen aan de rechtbank. De vordering tot opheffing van de beslagen is dus op twee grondslagen gebaseerd; (1) in het kader van de afkoelingsperiode en (2) op grond van art. 379 Fw.

Voorwaarden afkoelingsperiode

De rechtbank wijst de gevraagde algemene afkoelingsperiode en de gevraagde specifieke opheffing van beslagen uiteindelijk af en oordeelt dat deze niet onder de reikwijdte van de in artikel 376 lid 2 Fw opgenomen afkoelingsperiode vallen. Op basis van art. 376 lid 1 Fw kan de schuldenaar om een afkoelingsperiode vragen indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. Er is door de schuldenaar een akkoord aangeboden als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw;
  2. Er is door de schuldenaar toegezegd dat binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een dergelijk akkoord zal worden aangeboden;
  3. Er is door de rechtbank overeenkomstig artikel 371 Fw een herstructureringsdeskundige aangewezen.

De rechtbank stelt vast dat er aan geen van deze voorwaarden is voldaan en dat met name niet expliciet is toegezegd dat er binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een akkoord zal worden aangeboden. Dat betekent dat de vennoten niet ontvankelijk worden verklaard in hun verzoek.

De rechtbank wijst er (ten overvloede) nog op dat in het kader van art. 376 lid 4 Fw voor geen van de goed Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten.
» Meer over goed
goederen
waarvan opheffing van het beslag wordt gevorderd is gesteld dan wel gebleken 1) waarom de opheffing van dat beslag noodzakelijk is om de onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten en 2) dat de beslaglegger door de opheffing van dat beslag niet wezenlijk is en belangen worden geschaad.

Nu dit niet is gedaan kan er ook om die reden niet tot toewijzing worden overgegaan, dus ook niet indien wel aan één van de voorwaarden uit art. 376 lid 1 Fw zou zijn voldaan.

Succesvol beroep op afkoelingsperiode

Uit het voorgaande blijkt dat een beroep op de afkoelingsperiode op een goede wijze moet worden gedaan en dat er niet lichtvaardig tot toewijzing wordt overgegaan. De verzoeken tot een afkoelingsperiode moeten dus echt worden gezien in het kader van het tot stand brengen van een akkoord waarbij goed moet worden gemotiveerd waarom dat van belang is voor de onderneming en haar gezamenlijke schuldeisers. Bij de beoordeling moet er ook rekening worden gehouden met de belangen van de beslaglegger en de individuele schuldeiser.

More in Insolventierecht
De eerste WHOA-beschikkingen zijn een feit

Op 1 januari 2021 is de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA) in werking getreden. De WHOA maakt het mogelijk dat...

Close