Provisie na beëindiging agentuurovereenkomst

Dat een handelsagent recht heeft op provisie tijdens de duur van zijn agentuurschap is logisch. Dit is de kern van de overeenkomst, het aanbrengen van klanten tegen een vergoeding. Maar een handelsagent heeft onder omstandigheden ook recht op provisie voor overeenkomsten die ná het einde van zijn agentuurovereenkomst tot stand zijn gekomen. Er moet dan wel een nauw verband bestaan tussen de werkzaamheden van de handelsagent en het sluiten van de overeenkomst. Artikel 7:431 lid 2 BW stelt dat de handelsagent slecht aanspraak kan maken in twee gevallen.

Tegenprestatie voor voorbereidend werk

Het eerste geval is als de gesloten overeenkomst hoofdzakelijk het resultaat is van door de handelsagent verrichte werkzaamheden tijdens zijn agentuurschap en als de overeenkomst binnen een redelijke termijn na de beëindiging van de agentuurovereenkomst is afgesloten. Wat onder een redelijke termijn moet worden verstaan laat de wet in het midden. Dit hangt af van de omstandigheden (bv. de lengte van het verkoopproces).

Bestelling geplaatst tijdens agentuur

Ook over overeenkomsten die ná de beëindiging van de agentuurovereenkomst zijn gesloten maar waarvan de bestelling al vóór de beëindiging geplaatst was, is provisie verschuldigd. Het moet natuurlijk wel gaan om een overeenkomst die voldoet aan de criteria voor aanspraken op provisie tijdens de agentuurovereenkomst. Er moet dus sprake zijn van bemiddeling van de handelsagent, een order van een terugkerende klant of van een klant die gevestigd is in het exclusieve klanten- en/of werkgebied van de handelsagent. 

Dubbele provisie verschuldigd?

De vraag rijst of de (meestal aanwezige) nieuwe handelsagent – naast de oude handelsagent – ook recht heeft op provisie. Dit zou betekenen dat een klant dubbele courtage moet betalen. De wet heeft ook hierin voorzien: de hoofdregel is dat als de eerste handelsagent op basis van artikel 7:431 lid 2 BW recht heeft op provisie, de opvolgende handelsagent geen aanspraak heeft. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken als het gezien de omstandigheden eerlijker is de provisie tussen beide handelsagenten te verdelen (art. 7:431 lid 3). 

Dwingend recht

De wettelijke bepaling waarin het recht op provisie na het einde van agentuurovereenkomst is vastgelegd, is van dwingend recht. Hier kan dus niet (contractueel) van worden afgeweken.