Portacabin-arrest

Het Portacabin-arrest is een arrest van de Hoge Raad over de vraag of een zaak (in dit geval een portacabin) door natrekking onroerend geworden. Dit arrest is inmiddels vaste rechtspraak geworden.

De Hoge Raad heeft in het arrest bepaald dat een gebouw  duurzaam met de grond kan zijn verenigd in de zin van art. 3:3 BW, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. In dat geval is dan niet meer van belang dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen.

Bij beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven moet volgens de Hoge Raad worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is. Onder de bouwer moet hier mede worden verstaan degene in wiens opdracht De overeenkomst waarbij iemand anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst diensten verrichten voor een opdrachtgever.
» Meer over opdracht
opdracht
het bouwwerk wordt aangebracht.
Daarnaast moet de bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven naar buiten kenbaar zijn. Dit vereiste vloeit voort uit het belang dat de zakenrechtelijke verhoudingen voor derden kenbaar dienen te zijn.

Tot slot heeft de Hoge Raad overwogen dat de verkeersopvattingen niet kunnen worden gebezigd als een zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Zij kunnen echter wel in aanmerking worden genomen in de gevallen dat in het kader van de beantwoording van de vraag onzekerheid blijft bestaan of een object kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd.

Categorie