7 min lezen

Pandrecht

Mariëlle de Wild
Mariëlle
Neem contact op
  1. Wat is een pandrecht
  2. Hoe wordt een pandrecht gevestigd
  3. Omzetting stil pandrecht naar openbaar pandrecht
  4. Uitwinning van het pandrecht (parate executie)

Wat is een pandrecht

Een pandrecht is een beperkt recht dat op alle goederen, behalve registergoederen, kan worden gevestigd. Het voornaamste doel is dat de schuldeiser in het geval zijn schuldenaar zijn schuld aan de schuldeiser niet voldoet, de schuldeiser zich bij voorrang boven andere schuldeisers kan verhalen op het verpande goed. Vaak wordt een pandrecht gevestigd op inventaris en vorderingen, maar ook is het mogelijk op een pandrecht te vestigen op aandelen of toekomstige goederen.

Hoe wordt een pandrecht gevestigd

Om rechtsgeldig een pandrecht te vestigen moet aan drie vereisten zijn voldaan:

  1. een geldige titel;
  2. een beschikkingsbevoegde pandgever;
  3. het verrichten van een vestigingshandeling.

Geldige titel

Het vereiste van een geldige titel houdt in dat er tussen de schuldenaar en schuldeiser is afgesproken om welke reden de schuldenaar als zekerheid voor de voldoening van een vordering van de schuldeiser een pandrecht zal vestigen. Een dergelijke afspraak wordt tussen partijen vaak vastgelegd in een (geldlenings)overeenkomst, maar kan ook in de akte die voor de vestiging vereist is (zie hierna), worden overeengekomen.

Beschikkingsbevoegde pandgever

Voor de rechtsgeldige vestiging van een pandrecht is vereist dat de pandgever beschikkingsbevoegd is. Daarvan is sprake als de pandgever – doorgaans de eigenaar van de roerende zaak – kan beslissen wat er met de roerende zaak gebeurt.

In sommige gevallen is een ander dan de eigenaar beschikkingsbevoegd. In faillissement is dat bijvoorbeeld de curator, en niet de gefailleerde (die overigens wel juridisch eigenaar blijft van het goed zolang het niet is overgedragen).

Vestigingshandeling

Er kunnen twee typen pandrechten worden onderscheiden: een stil pandrecht en een openbaar pandrecht. Ieder type pandrecht heeft zijn eigen kenmerken, zo kennen ze ieder eigen wijzen waarop het moet worden gevestigd.

Stil pandrecht

Een stil pandrecht (ook wel bezitloos pandrecht) kan op twee manieren worden gevestigd. De eerste mogelijkheid is het vestigen door middel van een notariële akte. De tweede mogelijkheid is het vestigen door middel van een onderhandse akte die vervolgens bij de Belastingdienst moet worden geregistreerd.

In de pandakte moeten een aantal zaken worden vermeld. Zo moet het verpande goed voldoende duidelijk worden omschreven. Een duidelijke omschrijving vereist echter niet dat goederen individueel worden omschreven, volstaan kan worden met het vermelden van zodanige gegevens dat (achteraf) aan de hand van de administratie kan worden vastgesteld welke goederen zijn verpand. Ondanks dit brede ogende criterium verdient het de aanbeveling om zo veel als mogelijk in de pandakte het te verpande goed te omschrijven, ter voorkoming van eventuele discussies op een later moment.

Notariële pandakte

In het geval partijen overeenkomen dat het pandrecht bij notariële akte wordt gevestigd komt het pandrecht tot stand op het moment dat de notaris de pandakte passeert. Het passeren van een notariële akte is het moment dat de notaris – nadat de partijen hebben getekend – tot ondertekening overgaat. Registratie van de pandakte is niet vereist.

Onderhandse pandakte

Het vestigen van een pandrecht door middel van een onderhandse pandakte vergt wat meer handelingen van partijen dan een notariële akte. Een onderhandse akte moet namelijk geregistreerd worden bij de Belastingdienst, om het stille pandrecht daadwerkelijk te vestigen. De enkele ondertekening van partijen van de onderhandse akte doet het pandrecht niet vestigen.

De Belastingdienst stempelt als bewijs van registratie de laatste pagina van de pandakte en stuurt de pandakte terug. De Belastingdienst bewaart geen kopie van de geregistreerde pandakte, het is dus van belang dat de akte goed wordt bewaart om indien nodig de rechtsgeldigheid van het pandrecht te kunnen aantonen.

Verpand goed blijft in de macht van pandgever

Na het vestigen van een stil pandrecht op een roerende zaak blijft het verpande goed in de macht van de pandgever (schuldenaar). De pandgever kan de verpande zaak dus blijven gebruiken. Er kan ook een stil pandrecht op vorderingen worden gevestigd, in zo een geval wordt van de verpanding aan de debiteur van de pandgever geen mededeling gedaan., dit in tegenstelling tot een openbaar pandrecht op vorderingen.

Openbaar pandrecht

Het vestigingen van een openbaar pandrecht (ook wel vuistpand) kan eveneens op twee manieren. De eerste mogelijkheid is het vestigen door middel van een notariële akte. De tweede mogelijkheid is het vestigen van een onderhandse akte. Die akte hoeft – in tegenstelling tot hetgeen geldt bij het vestigen van een stil pandrecht – niet bij de Belastingdienst te worden geregistreerd.

Bij een openbaar pandrecht wordt het verpande goed in de macht van de pandhouder (of een derde) gebracht, de pandgever kan het verpande goed dus niet langer gebruiken. De pandhouder is na volledige voldoening van zijn vordering gehouden het in zijn macht gekomen goed aan de pandgever terug te geven.

In het geval dat er een openbaar pandrecht op een vordering wordt gevestigd geldt dat voor het vestigen is vereist dat van de verpanding mededeling aan de debiteur van de pandgever wordt gedaan.

Omzetting stil pandrecht naar openbaar pandrecht

Doorgaans kiezen partijen ervoor om een stil pandrecht op een roerende zaak te vestigen. Een openbaar pandrecht kan immers vragen bij andere schuldeisers van de pandgever oproepen, hetgeen kan leiden tot onrust. Er zijn situaties denkbaar waarin bij de pandhouder behoefte bestaat om, bijvoorbeeld als de pandgever zijn verplichtingen niet nakomt of de pandhouder vermoed dat hiervan op korte termijn sprake zal zijn, het ten behoeve van hem gevestigde stille (bezitloze) pandrecht om te zetten naar een openbaar (vuist) pandrecht.

Een stil pandrecht (op vorderingen) wordt omgezet naar een openbaar pandrecht door mededeling van het pandrecht te doen aan de debiteur(en) van de pandgever. Als gevolg van zo een mededeling wordt de pandhouder bevoegd om de vordering(en) te innen bij de debiteur van de pandgever. Deze debiteur is daartoe ook gehouden. De betaling aan de pandgever door een debiteur nadat de mededeling door de pandhouder is gedaan kan in zo een geval nogmaals worden gevorderd door de pandhouder.

Een bezitloos pandrecht kan worden omgezet naar een vuistpandrecht, daarvoor is vereist dat het verpande goed in de feitelijke macht van de pandhouder (of andere derde) wordt gebracht. Een pandgever is dan dus niet langer in staat om het verpande goed te gebruiken.

Uitwinning van het pandrecht (parate executie)

Een schuldeiser die zijn vordering heeft “verzekerd” met een pandrecht kan pas overgaan tot uitwinning als de pandgever zijn verplichtingen tegenover de pandhouder niet nakomt en in verzuim verkeert. Er is sprake van verzuim als de pandgever ondanks een schriftelijke aanmaning van de pandhouder niet voldoet aan zijn verplichtingen. Het vereiste van verzuim (en dus het aanmanen) geldt niet als tussen partijen is overeengekomen dat bij uitblijven van een (deel van de) verplichting er sprake is van verzuim. Een voorbeeld is de afspraak tussen partijen dat bij het niet tijdig voldoen aan een betaalafspraak, er sprake is van verzuim. Ook is een ingebrekestelling niet nodig in het geval de pandgever aan de pandhouder expliciet heeft laten weten de vordering niet te zullen voldoen. In zo een geval treedt verzuim van rechtswege in.

Me(dede)lingsplicht

Als een pandhouder besluit het verpande goed te willen verkopen dan is hij verplicht om minimaal 3 dagen daaraan voorafgaand mededeling te doen aan de pandgever. Door deze mededeling wordt aan de pandgever een laatste mogelijkheid geboden om tot voldoening van zijn schuld aan de pandhouder over te gaan. In de mededeling moet de pandhouder zo precies mogelijk vermelden wat de hoogte van zijn vordering op de pandhouder is.

In het geval de pandhouder een dergelijke mededeling achterwege laat dan kan, in het geval de pandgever als gevolg van de uitwinning schade lijdt, hij voor deze schade aansprakelijk worden gesteld.

In het geval het pandrecht rust op een bodemzaak en de pandhouder tot uitwinning wil overgaan, moet de pandhouder daarvan melding doen bij de Belastingdienst. Een bodemzaak is een roerende zaak die bestemd is om duurzaam ter plaatste te blijven, denk aan machines en inventaris. Na de melding aan de Belastingdienst mag de pandhouder gedurende vier weken nadien niet tot uitwinning overgaan. In die periode moet de Belastingdienst besluiten of zij haar bodemrecht wil uitoefenen. Indien de Belastingdienst daartoe besluit zal dan zij overgaan tot het leggen van bodembeslag en vervolgens tot verkoop. Vereist dan wel dat de Belastingdienst ook een vordering heeft op de pandgever. Op de verkoopopbrengst kan eerst de Belastingdienst zich verhalen, de pandhouder kan zich hiertegen niet verzetten.

In het geval de Belastingdienst besluit haar bodemvoorrecht niet toe te passen dan krijgt de pandhouder vier weken de tijd om zijn rechten uit te winnen. Gaat de pandhouder niet binnen deze termijn over tot uitwinning moet, indien hij nadien tot uitwinning wil overgaan, opnieuw melding bij de Belastingdienst doen over zijn voornemen om de verpande bodemzaken uit te winnen en opnieuw vier weken wachten.

Hoofdregel is openbare verkoop, maar uitzonderingen mogelijk

Als een pandhouder overgaat tot verkoop is de hoofdregel dat dit door middel van een openbare verkoop moet plaatsvinden. In de praktijk betekent dit dat de verkoop wordt gedaan door een veilinghuis, een deurwaarder of ten overstaan van een notaris. Het staat de pandgever en pandhouder echter vrij om iets anders overeen te komen, denk aan een onderhandse verkoop. Een onderhandse verkoop levert doorgaans meer op dan een openbare verkoop.

Indien partijen willen afwijken van de hoofdregel (uitwinning door middel van een openbare verkoop) is het van belang dat de alternatieve wijze van uitwinning goed wordt vastgelegd en dat dergelijke afspraken niet eerder dan nadat de pandhouder in verzuim is, worden gemaakt. Indien aan één van twee van de voorstaande voorwaarden niet is voldaan loopt de pandhouder het risico dat de verkoop niet als een executieverkoop wordt aangemerkt met als gevolg dat hij zich op de opbrengst niet kan verhalen, althans niet met voorrang. Met andere woorden; zijn pandrecht kan als gevolg van het niet voldoen aan voorstaande voorwaarden illusoir worden.

Indien de pandgever niet instemt met een afwijkende wijze van verkoop en het pandhouder daaraan wel de voorkeur geeft dan kan hij de voorzieningenrechter vragen hem toestemming te geven voor verkoop op een gewenste wijze. Als een dergelijke toestemming wordt gegeven kan de panderhouder het verpande goed zelf openbaar verkopen.

Nieuws brief

Ravel Residence