Enquêteprocedure

Enquêteprocedure

De ondernemingskamer

Het Nederlandse vennootschapsrecht kent een bijzondere gerechtelijke procedure om een onderzoek naar de gang van zaken bij en het beleid van een bedrijf mogelijk te maken. Sinds 1971 is de enquêteprocedure in het Burgerlijk Wetboek (BW) opgenomen. De gedachte is dat de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (OK) op verzoek van de aandeelhouders of een betrokken vakorganisatie en de vennootschap zelf een onderzoek kan gelasten naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap (het kan overigens ook gaan om een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij, maar in de praktijk gaat het bijna altijd om een besloten of naamloze vennootschap). De ondernemingskamer wijst het verzoek een onderzoek te gelasten alleen toe wanneer is gebleken van “gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen”.

Procederen bij de ondernemingskamer

Aandeelhouders (certificaathouders daaronder begrepen) kunnen een verzoek doen tot het starten van een enquêteprocedure indien zij tezamen tenminste 10% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, of rechthebbenden zijn van een absolute aandelenwaarde of certificatenwaarde van minimaal € 225.000. Binnenkort zal het BW op dit punt gewijzigd worden. Indien het gaat om een vennootschap met een geplaatst kapitaal van meer dan € 22,5 miljoen zullen de aandeelhouders alleen of gezamenlijk ten minste een honderdste gedeelte van het geplaatste kapitaal moeten vertegenwoordigen. Indien de aandelen of certificaten  beursgenoteerd zijn zullen zij ten minste een waarde van € 20 miljoen moeten vertegenwoordigen (volgens de slotkoers op de laatste handelsdag voor indiening van het verzoek). Ook kan statutair of contractueel worden bepaald dat bepaalde anderen bevoegd zijn een verzoek tot enquête in te dienen. Sinds 1 januari 2013 is de toegang tot de ondernemingskamer voor aandeelhouders in grote ondernemingen ingeperkt.

Sanering en herstel van de goede verhoudingen

De enquêteprocedure is in principe gericht op sanering en herstel van de goede verhoudingen. Dat neemt echter niet weg dat het in de praktijk ook veel voorkomt dat het onderzoek wordt verricht bij een vennootschap die reeds failliet is. De Hoge Raad heeft al meerdere malen geoordeeld dat het uitvoeren van een ‘lijkschouwing’ ook een gerechtvaardigd doel van een enquêteprocedure is. In zijn meest oorspronkelijke vorm beoogt de procedure echter conflictsituaties te beëindigen en impasses te doorbreken.

Voorlopige voorziening

De procedure bij de ondernemingskamer kan lang duren; soms duurt het onderzoek wel meer dan een jaar. Wat de enquêteprocedure daarom in de praktijk zo succesvol heeft gemaakt is het feit dat de OK in iedere fase van de procedure op verzoek van een advocaat voorlopige voorzieningen kan treffen, als daartoe een spoedeisend belang bestaat. In de praktijk wordt een verzoek tot het instellen van een onderzoek vaak gecombineerd met een verzoek tot het treffen van bepaalde voorlopige voorzieningen. Dat laatste verzoek wordt dan vaak als eerste behandeld. De ondernemingskamer kan daarbij verregaande maatregelen treffen, die direct ingrijpen in de verhoudingen binnen de vennootschap. Zo kan de ondernemingskamer bestuurders of commissarissen ontslaan, een (extra) bestuurder of commissaris benoemen (die zelfs bijzondere bevoegdheden of een doorslaggevende stem kan hebben), stemrecht ontnemen aan een bepaalde aandeelhouder, of zelfs het aandelen overdragen aan een derde ten titel van beheer. Er bestaat geen limitatieve opsomming van de voorlopige voorzieningen die de OK kan treffen. Dit maakt het mogelijk om via een enquêteprocedure snel uit een impasse te geraken.

Vereiste voor ontvankelijkheid

Voordat een enquêteverzoek kan worden gedaan, moeten de verzoeker eerst zijn bezwaren bij het bestuur en de raad van commissarissen kenbaar hebben gemaakt. De gedachte is dat het bestuur de gelegenheid moet hebben om in te grijpen zonder de vennootschap meteen in een procedure verzeild te laten raken. Indien de bezwaren niet schriftelijk kenbaar worden gemaakt voorafgaand aan de enquêteprocedure, dan zal de ondernemingskamer het verzoek tot het instellen van een enquête niet in behandeling nemen. De bezwaren hoeven niet schriftelijk kenbaar te zijn gemaakt; dit kan bijvoorbeeld ook in een algemene vergadering van aandeelhouders zijn gebeurd.

De eerste fase: het onderzoek

De enquêteprocedure is verdeeld in twee fases. In de eerste fase dient de ondernemingskamer te beoordelen of er een onderzoek moet komen. De vraag is dan dus of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen. Als de OK oordeelt dat dit zo is, wordt een onderzoek gelast (waarbij de OK pleegt aan te geven op welke periode en op welke specifieke delen van het beleid het onderzoek zich moet richten). De OK benoemt een  onderzoeker aanstellen; zijn kosten worden in aanvang gedragen door de vennootschap. Als duidelijk is dat de vennootschap die kosten niet kan dragen, wordt de verzoeker in de praktijk genoopt zelf zekerheid voor deze kosten te stellen. Afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek kunnen de kosten later op de verzoeker of het bestuur worden verhaald. De onderzoeker heeft verregaande bevoegdheden. Hij krijgt toegang tot de volledige administratie; alle betrokkenen binnen de vennootschap zijn verplicht tot medewerking. De onderzoeker maakt van zijn bevindingen een verslag. Met dit verslag (dat bij de griffie van de OK wordt gedeponeerd) wordt de eerste fase van de enquêteprocedure afgesloten.

Gegronde redenen om aan juist beleid te twijfelen

De maatstaf “gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen” is zeer feitelijk van aard. Het moet gaan om gebleken feiten en omstandigheden die tezamen een behoorlijke kans inhouden dat bij nader onderzoek blijkt van onjuist beleid. Deze maatstaf houdt in dat ook bij deze beoordeling van de feiten door de OK een zekere beleidsvrijheid van de vennootschap moet worden gerespecteerd. De toets ‘gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid’ is echter een lichtere dan de toets ‘wanbeleid’.

Tweede fase: vaststellen wanbeleid

Indien de verzoeker of andere betrokkenen die het recht van enquête vinden dat hieruit blijkt dat sprake is (geweest) van wanbeleid, kunnen zij de ondernemingskamer binnen 2 maanden na de deponering van het verslag verzoeken vast te stellen dat uit het verslag inderdaad van wanbeleid blijkt. Daarbij kan de ondernemingskamer, als is gebleken van wanbeleid een aantal (verregaande) maatregelen treffen, zoals vernietiging van een besluit, ontslag van een bestuurder, of zelfs ontbinding van de vennootschap.

Corporate litigation: een vak apart

Het voeren van gerechtelijke procedures over vennootschappelijke aangelegenheden wordt ook wel aangeduid als corporate ligitgation. Hoewel er ook veel andere procedures denkbaar zijn, is de enqueteprocedure veruit de belangrijkste procedure op dit gebied. Onder ondernemingsrecht advocaten hebben hier veel ervaring mee. Voor verdere informatie over corporate litigation (waaronder impasses binnen het bestuur van een vennootschap, of aandeelhoudersgeschillen) kunt u vrijblijvend contact opnemen met ons advocatenkantoor.

Volg ons op social media De rechtsgebieden
Ontvang onze nieuwsbrief
Elke maand de best gelezen blogs in een overzichtelijke e-mail ontvangen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!
  • * = verplicht veld