Naar hoofdinhoud

Enquête of uittreding? Ondernemingskamer kiest bij een vastgelopen 50/50-verhouding voor de scheiding der wegen

Hidde Reitsma
6 min leestijd

Blog delen

In het kort

  • De Ondernemingskamer wees op 6 oktober 2026 het uittredingsverzoek van een 50%-aandeelhouder toe, maar wees zowel het enquêteverzoek van diezelfde verzoeker als het tegenverzoek tot uitstoting af.
  • Staat vast dat partijen uit elkaar gaan, dan voegt een parallel onderzoek naar het beleid te weinig toe.
  • De bezwaren die ook aan een enquêteverzoek ten grondslag worden gelegd, verdwijnen daarmee niet helemaal: de waarderingsdeskundige kan deze in het onderzoek betrekken met het oog op een billijke verhoging van de prijs.

Sinds de inwerkingtreding van de Wagevoe op 1 januari 2025 worden uitstoting en uittreding niet meer met een dagvaarding bij de gewone rechter ingeleid, maar met een verzoekschrift bij de Ondernemingskamer. Een enquête en een exit kunnen sindsdien gecombineerd verzocht worden, en deze mogelijkheid wordt veelvuldig benut. Maar werkt het ook? Een beschikking van 6 oktober 2026 maakt duidelijk dat, indien “de wegen scheiden” (door toewijzing van de uittreding of uitstoting), het belang van de vennootschap bij het gelasten van een onderzoek kan verdwijnen.

Onno Hennis blogde eerder al over een ander aspect van deze zaak, namelijk dat de Ondernemingskamer bijna een ‘no fault divorce’ lijkt uit te spreken. In deze blog wordt vooral ingegaan op de verhouding tussen het parallel gedane enquête- en uittredingsverzoek, en op de vraag wanneer toewijzing van een enquête (of een daarop vooruitlopende voorziening) niet meer nodig is als uittreding (of uitstoting) al wordt toegewezen. Ondernemingsrechtadvocaat Hidde Reitsma legt uit.

De zaak: een theehandel waarin het vertrouwen wegviel

De betrokken vennootschap – kortweg BOI genoemd – houdt de aandelen in Geels Koffie en Thee sinds 1863 B.V. (Geels). Twee aandeelhouders houden elk 50%: de medeoprichter, die het bedrijf ruim dertig jaar geleden met zijn Duitse compagnon opbouwde, en de holding van de kinderen van de in 2023 overleden compagnon. De samenwerking berustte op vertrouwen en was nooit schriftelijk vastgelegd. Na het overlijden van de compagnon in 2023 zijn de samenwerking en communicatie tussen de jointventurepartners vastgelopen.

De medeoprichter verzocht om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken én om uittreding (art. 2:343 lid 1 BW). De familieholding verzocht harerzijds om uitstoting van de medeoprichter (art. 2:336a lid 1 BW). Beide partijen maakten elkaar over en weer verwijten ten aanzien van de samenwerking, maar wilden in feite hetzelfde: uit elkaar. Alleen over wie moest vertrekken, en tegen welke prijs, verschilden zij van mening.

Uittreding: drie criteria, in onderlinge samenhang

Voor toewijzing van een uittredingsverzoek is vereist dat de verzoeker door gedragingen van zijn medeaandeelhouder zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad, dat voortduring van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. In die norm liggen volgens de Ondernemingskamer drie criteria besloten, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien:

  1. een gedragscriterium: het moet gaan om gedragingen van een of meer medeaandeelhouders, waarbij ook gedragingen die in hun risicosfeer liggen, kunnen meewegen – een verwijt is dus niet steeds nodig.
  2. een schadecriterium: die gedragingen moeten de rechten of belangen van de verzoekende aandeelhouder hebben geschaad.
  3. een redelijkheidscriterium: het belang van de verzoeker bij beëindiging wordt afgewogen tegen het belang van de overnemende partij om niet tot overname te worden gedwongen, waarbij ook het vennootschappelijk belang meetelt.

De Ondernemingskamer oordeelde dat partijen het erover eens waren dat hun verhouding ernstig en duurzaam was verstoord en dat het belang van de onderneming daaronder leed. Of alle verwijten over en weer terecht waren, kon de Ondernemingskamer niet vaststellen – wel dat beide partijen aan de onwerkbare situatie hadden bijgedragen. Omdat beide partijen om beëindiging verzochten en de aandelen kennelijk naar de familieholding moesten, werd het uittredingsverzoek toegewezen. Een duurzaam verstoorde verhouding is op zichzelf overigens geen grond voor uittreding: dat beide partijen hier zelf om beëindiging vroegen, geeft de doorslag.

Het tegenverzoek tot uitstoting strandde niet op het niet halen van de norm voor toewijzing, maar op een gebrek aan belang: met de toewijzing van de uittreding is de beoogde beëindiging immers al een feit, zodat de Ondernemingskamer aan een zelfstandige beoordeling niet meer toekwam.

En de enquête? Een discretionaire bevoegdheid

De bevoegdheid om een onderzoek te bevelen is discretionair: de Ondernemingskamer kan een onderzoek gelasten. De Hoge Raad bevestigde dat in het Funda-arrest (HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283, r.o. 3.4), in lijn met de conclusie van de advocaat-generaal: bij de uitoefening van die bevoegdheid moet een afweging van de betrokken belangen plaatsvinden, waarin het belang van de rechtspersoon vooropstaat.

Die afweging viel in het nadeel van de verzoeker uit. Een parallel onderzoek zou, met de bijbehorende kosten en doorlooptijd, onvoldoende toevoegen nu vaststond dat partijen toch al uit elkaar zouden gaan. Daarmee zijn de bezwaren niet van tafel. De Ondernemingskamer overweegt dat de te benoemen waarderingsdeskundige zal worden gevraagd de door de uittredende aandeelhouder naar voren gebrachte bezwaren te betrekken en – indien daar naar het oordeel van de deskundige aanleiding toe bestaat – te vermelden of, en zo ja in welke omvang, dit van invloed is op de waarde van de aandelen. Deze bezwaren betroffen onder meer de vraag of Geels kosten droeg voor bedrijfsruimte, verzekeringen en personeel die ook aan gelieerde ondernemingen ten goede kwamen, en of de bestuurdersbeloning te hoog was. Aan de hand daarvan kan later worden beoordeeld of er grond is voor een billijke verhoging van de prijs. Het is dus niet zo dat helemaal geen onderzoek plaatsvindt, maar het vindt plaats in het kader van de waardering.

Wanneer gelast de Ondernemingskamer wél allebei?

Dat het ook anders kan, laat een beschikking van 7 augustus 2025 zien. In dat familiebedrijf – twee broers, een onoplosbare impasse – wees de Ondernemingskamer zowel het enquêteverzoek als het uitstotingsverzoek toe, en benoemde zij bij wijze van onmiddellijke voorziening bovendien een bestuurder. Het verschil zit hem kennelijk in het belang van de vennootschap bij het onderzoek: in die zaak achtte de Ondernemingskamer het met het oog op de toestand van de vennootschap(pen) wel noodzakelijk om een onafhankelijke bestuurder te benoemen.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Wie een enquête vraagt om de ander onder druk te zetten en tegelijk zelf wil uittreden, moet er rekening mee houden dat de Ondernemingskamer het onderzoek niet nodig vindt zodra de exit vaststaat. Wie daarover zekerheid wil, kan zijn enquêteverzoek voorwaardelijk instellen: alleen voor het geval het geschillenverzoek wordt afgewezen. Omgekeerd loont het om bezwaren concreet en onderbouwd op tafel te leggen, want zij kunnen een rol spelen in het waarderingsonderzoek en bij een eventuele billijke verhoging.

Veel van deze conflicten eindigen overigens voordat het zover komt. AMS Advocaten stond eerder een partij bij in een aandeelhoudersconflict dat na een enquêteverzoek in een minnelijke regeling eindigde. Lees ook enkele andere bijdragen over de vernieuwde geschillenregeling en over uittreding door een aandeelhouder.

Hidde Reitsma

Hidde Reitsma

Advocaat bij AMS Advocaten

Hidde Reitsma is advocaat, curator en medeoprichter van AMS Advocaten. Hij is sinds 2002 advocaat en heeft bijna 20 jaar ervaring als curator in faillissementen. Hidde voltooide twee specialisatieopleidingen aan de Grotius Academie, waaronder de INSOLAD/Grotius-opleiding Insolventierecht (cum laude). Hij procedeert regelmatig bij de Ondernemingskamer en is gespecialiseerd in insolventierecht, ondernemingsrecht en erfrecht.

Bekijk het profiel van Hidde