OM in kort geding veroordeeld tot het verstrekken van namen
Thomas van Vugt In het kort
- Milou overleed in 2023 op 17-jarige leeftijd door euthanasie na ondraaglijk en uitzichtloos psychisch lijden. Een brief van veertien artsen aan het Openbaar Ministerie trok de rol van haar naasten en de behandelend artsen achteraf in twijfel.
- De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag oordeelt dat het OM de ongelakte brief met alle namen alsnog aan de ouders moet geven: het beroep op de Wet open overheid gaat hier niet op.
- De ouders mogen de namen alleen gebruiken om de ondertekenaars civielrechtelijk of tuchtrechtelijk aan te spreken, of om aangifte tegen hen te doen.
In een kort geding voor de Rechtbank Den Haag moest het Openbaar Ministerie de namen prijsgeven van veertien artsen die een kritische brief over de euthanasie van een 17-jarig meisje hadden ondertekend. Het OM weigerde eerst, met een beroep op de Wet open overheid. De voorzieningenrechter gaat daarin niet mee (ECLI:NL:RBDHA:2026:25194). Advocaat mediarecht Thomas van Vugt bespreekt de uitspraak.
Wat ging aan de brief vooraf?
De Regionale Toetsingscommissie Euthanasie beoordeelde de euthanasie van Milou in 2023 als zorgvuldig. Toch ontving het OM in mei 2024 een brief, ondertekend door veertien artsen (vooral psychiaters), getiteld ‘Ontsporend discours over euthanasie bij psychisch lijden schaadt kwetsbare patiënten’. De brief noemt Milous zaak met zoveel woorden en suggereert dat zij, mogelijk beïnvloed door haar naasten, niet meer volledig wilsbekwaam haar recht op leven kon beoordelen. Van de veertien ondertekenaars zijn er inmiddels zes bekend, van de overige acht kennen de ouders alleen de functie (meestal psychiater).
Waarom wilden de ouders de namen?
De ouders vinden dat de brief hun eer en goede naam aantast en overwegen tegen de ondertekenaars een rectificatie, een verklaring voor recht en schadevergoeding te eisen. Zonder namen kan dat niet. Ook via het medisch tuchtcollege kregen zij de namen niet los. Het OM zelf beriep zich op de Wet open overheid (Woo): de persoonlijke levenssfeer van de ondertekenaars en het functioneren van de Staat zouden zich tegen verstrekking verzetten.
Wat is het juridisch kader?
De vordering steunt op het inzagerecht van art. 194 Rv (sinds 1 januari 2025): ook tegenover een derde bestaat recht op inzage of afschrift bij voldoende belang. Voor de overheid geldt een uitzondering: gaat het om publieke informatie, dan hoeft zij niet meer te geven dan de Woo vereist (art. 194 lid 3 Rv). Maar diezelfde Woo geeft het OM ook de bevoegdheid om ondanks een uitzonderingsgrond toch te verstrekken bij klemmende redenen (art. 5.6 lid 1 Woo).
Waarom kon het OM niet blijven weigeren?
De ouders hebben een zwaarwegend belang: de brief bevat ernstige beschuldigingen en zij ondervinden nog steeds hinder via reguliere en sociale media, tot aan hun huisadres toe. Daarbij weegt mee dat de ondertekenaars zelf niet om geheimhouding hadden gevraagd, dat één van hen de brief al zelf in de media had onthuld, en dat het OM hem eerder al ongelakt aan Milous behandelend psychiater had gegeven. Het OM moet de ouders daarom binnen vijf werkdagen de brief met alle namen geven. Wel mogen zij die alleen gebruiken om de ondertekenaars aan te schrijven en in rechte te betrekken, niet om ze verder te verspreiden.
Conclusie
Deze uitspraak laat zien dat ook de overheid zich niet onbeperkt achter vertrouwelijkheid kan verschuilen zodra een burger in zijn eer en goede naam is aangetast. Tegenover RTL Nieuws, dat hem verzocht om het vonnis te bestuderen, zei Thomas van Vugt: “Bijzonder is dat dit voor zover mij bekend de eerste keer is dat dit specifiek tegen het Openbaar Ministerie is geprobeerd én is toegewezen. Deze uitspraak laat dus zien dat burgers niet per definitie met lege handen staan wanneer de overheid privacy inroept om namen achter te houden.”
Hij plaatst daarbij wel een kanttekening: de uitspraak is toegesneden op dit geval, doordat de artsen niet zelf om geheimhouding vroegen, één van hen de brief al had onthuld en het OM hem eerder al zonder geheimhouding had verstrekt. Ontbreken dat soort omstandigheden, dan is een geslaagd beroep op art. 194 Rv tegen de overheid geen vanzelfsprekendheid. Wie de identiteit van een derde wil afdwingen, bedrijf of overheid, zal dus altijd concreet moeten maken waarom juist die namen nodig zijn.
Thomas van Vugt
Advocaat bij AMS Advocaten
Thomas van Vugt is advocaat, medeoprichter van AMS Advocaten en heeft meer dan 20 jaar ervaring in de civiele procespraktijk. Hij is gespecialiseerd in verbintenissenrecht, mediarecht en vastgoedrecht en is als expert verbonden aan BusinessInsider.nl. Thomas staat bekend om spraakmakende mediarechtelijke procedures, waaronder zaken tegen Facebook, De Telegraaf en de SP.
Bekijk het profiel van Thomas