Hoge Raad: wie verdeling van een nalatenschap vordert, moet alle deelgenoten in het geding betrekken
Hidde Reitsma In het kort
- Een vordering tot verdeling van een nalatenschap betreft een processueel ondeelbare rechtsverhouding: de rechter kan alleen beslissen als alle deelgenoten partij zijn.
- Wordt een deelgenoot vergeten, dan krijgt de procederende partij de gelegenheid die alsnog op te roepen (art. 118 Rv).
- Pas wie die gelegenheid laat lopen, wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Het komt regelmatig voor dat een verdelingsgeschil in de kern tussen twee erfgenamen speelt, terwijl er meer deelgenoten zijn. Wie met zijn broer overhoop ligt, ziet dan weinig reden om ook de erven van een overleden zus in de procedure te betrekken. In een uitspraak van 25 september 2026 maakt de Hoge Raad nog eens duidelijk dat dit geen keuze is. Erfrechtadvocaat Hidde Reitsma legt uit.
De feiten: drie erfgenamen, maar twee in cassatie
Tot de nalatenschap van een in 2018 overleden moeder waren haar drie kinderen gerechtigd: twee broers en een zus. De zus overleed daarna. Zij woonde in de Verenigde Staten en had in haar testament een nicht aangewezen als ‘Personal Representative’, in de Nederlandse procedure vertaald als executeur.
Een van de broers vorderde vaststelling van de verdeling, tegen zijn broer en tegen de nicht als executeur. De nicht verscheen niet: rechtbank en hof verleenden tegen haar verstek. Het hof stelde de verdeling vast. De broer die daarbij aan het kortste eind trok, ging in cassatie, maar riep alleen zijn broer op.
Het kader: de processueel ondeelbare rechtsverhouding
In beginsel bindt een uitspraak alleen de partijen in de procedure. Bij sommige rechtsverhoudingen werkt dat niet, omdat het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing voor alle betrokkenen in dezelfde zin luidt. Dat heet een processueel ondeelbare rechtsverhouding. De verdeling van een gemeenschap is het schoolvoorbeeld: een verdeling die tussen twee erfgenamen wel geldt, maar tegenover de derde niet, valt eenvoudigweg niet uit te voeren. Iedereen moet gebonden zijn aan de wijze van verdeling.
Elke deelgenoot kan verdeling vorderen (art. 3:178 lid 1 BW) en de rechter kan de verdeling zelf vaststellen (art. 3:185 BW), maar dat kan dus alleen in een procedure waarin iedereen partij is. Sinds HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411 staat vast dat een ontbrekende deelgenoot niet tot directe niet-ontvankelijkheid leidt, maar tot een herstelmogelijkheid: de rechter moet (niet: kan) die gelegenheid geven.
Hoge Raad: eerst oproepen, niet meteen niet-ontvankelijk
De verwerende broer vroeg primair niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad stelt voorop dat bij een verdeling alle betrokkenen in het geding moeten worden geroepen, in elke instantie (rov. 3.2.1). Is dat niet gebeurd, dan geldt: "Laat degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding na om, overeenkomstig het hiervoor in 3.2.1 overwogene, alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter, naar aanleiding van een daarop gericht verweer dan wel ambtshalve, gelegenheid te geven om de niet opgeroepen persoon of personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv binnen een daartoe door de rechter te stellen termijn. Ook dit geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel." (rov. 3.2.2). Pas wie die gelegenheid niet of niet tijdig benut, is niet-ontvankelijk (rov. 3.2.3).
De broer krijgt dus twee weken om de nicht alsnog op te roepen en draagt de kosten van het incident (€ 800). De Hoge Raad volgt daarmee de conclusie van A-G Valk.
Betekenis voor de praktijk
De uitspraak lijkt een open deur, maar is voor de praktijk van belang. Breng vóór de dagvaarding in kaart wie deelgenoot is, leg het testament of de verklaring van erfrecht over, en richt in de verdelingsvordering een hoofdstuk over de ontvankelijkheid in, zodat de rechter die eenvoudig kan vaststellen. Is een deelgenoot overleden, dan moeten diens erfgenamen – of in voorkomend geval de executeur, dan wel de vereffenaar, die hen vertegenwoordigt – worden opgeroepen. Let wel: het gaat om deelgenoten. De zus was hier volgens de A-G mede-erfgenaam, omdat de moeder haar in een testament uit 1998 (onder het oude erfrecht) in de legitieme had gesteld. Een legitimaris heeft naar huidig recht in beginsel alleen een vordering in geld en is geen erfgenaam en dus ook geen deelgenoot van de nalatenschap. Niet elke deelgenoot moet verschijnen: een deelgenoot tegen wie verstek is verleend, is toch partij (maar moet in hoger beroep en cassatie wel steeds opnieuw worden opgeroepen).
Het verzuim is dus herstelbaar, maar kost tijd en een kostenveroordeling. Wie de hersteltermijn laat verlopen, wordt alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering of rechtsmiddel. De gedaagde erfgenaam die merkt dat een deelgenoot ontbreekt, kan die overigens ook zelf in het geding roepen (art. 680 lid 5 Rv). Voor een erfgenaam die niet meewerkt aan afwikkeling van de nalatenschap bestaan bovendien andere instrumenten.
Hidde Reitsma
Advocaat bij AMS Advocaten
Hidde Reitsma is advocaat, curator en medeoprichter van AMS Advocaten. Hij is sinds 2002 advocaat en heeft bijna 20 jaar ervaring als curator in faillissementen. Hidde voltooide twee specialisatieopleidingen aan de Grotius Academie, waaronder de INSOLAD/Grotius-opleiding Insolventierecht (cum laude). Hij procedeert regelmatig bij de Ondernemingskamer en is gespecialiseerd in insolventierecht, ondernemingsrecht en erfrecht.
Bekijk het profiel van Hidde