Naar hoofdinhoud

De rechter mag een leugen (onder ede) afstraffen door tegenbewijs op een ander geschilpunt te weigeren

Gijs Wessels
5 min leestijd

Blog delen

In het kort

  • Een onjuiste verklaring (onder ede) kan ertoe leiden dat een partij ook op een ander geschilpunt geen nieuwe gelegenheid krijgt om bewijs te leveren (art. 21 Rv).
  • Het hof mocht het bewijsaanbod om die reden passeren. De aard en ernst van de schending zijn daarbij van belang.
  • Toch vernietigt de Hoge Raad het arrest. Het hof had meer toegewezen dan Fairmount had gevorderd (art. 23 Rv).

Kan een partij die onder ede liegt, daardoor ook het recht verspelen om op een ander punt tegenbewijs te leveren? Die vraag speelde in een arrest van de Hoge Raad van 18 september 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1500). De zaak ging over schadevergoeding wegens overtreding van een non-concurrentiebeding. De Hoge Raad laat de stevige sanctie van het hof in stand, maar vernietigt het arrest omdat het hof meer had toegewezen dan was gevorderd.

Wat speelde er?

Eiser richtte zeesleepvaartbedrijf Fairmount op. Na de verkoop in 2007 bleef hij bestuurder en was hij gebonden aan een non-concurrentiebeding. Eind 2009 vertrok hij. Daarna werd een concurrerend bedrijf opgericht, waarvan een deel van de aandelen in handen was van een vennootschap van zijn zonen. Eiser werd veroordeeld tot schadevergoeding, op te maken bij staat. In de schadestaatprocedure vorderde Fairmount ruim USD 51 miljoen. Het hof wees daarvan ruim USD 6,8 miljoen toe.

In die procedure kwamen een brief en een e-mail van eiser naar voren. Volgens het hof bleek daaruit dat hij een belangrijke rol had gespeeld bij de samenwerking tussen de concurrent en een reder. Dat strookte niet met zijn eerdere verklaring onder ede dat hij op geen enkele wijze bij de concurrent betrokken was geweest. Het hof had voorshands aangenomen dat Fairmount zonder de concurrent zelf met deze reder zou hebben samengewerkt. Eiser wilde daartegen bewijs leveren. Het hof liet dat niet toe: zijn verklaringen waren niet zonder meer betrouwbaar, het nieuwe bewijsaanbod kwam te laat en door zijn laakbare handelen had hij een eventuele nieuwe bewijsronde verspeeld.

Een leugen over het ene punt, geen tegenbewijs over het andere

Art. 21 Rv verplicht partijen om de feiten die voor de beslissing van belang zijn volledig en naar waarheid aan te voeren. Schendt een partij die plicht, dan mag de rechter daaraan de gevolgen verbinden die hij geraden acht. Of de waarheidsplicht is geschonden en welke gevolgen daaraan worden verbonden, is in belangrijke mate aan de feitenrechter (de rechtbank en het gerechtshof) voorbehouden. In cassatie toetst de Hoge Raad of diens oordeel begrijpelijk is (rov. 3.1.4).

Volgens de Hoge Raad mocht het hof aan de onbestreden leugen onder ede over de eigen betrokkenheid van eiser de consequentie verbinden dat hij geen nieuwe bewijsronde kreeg over de vraag of Fairmount zonder de concurrent met de reder zou hebben samengewerkt. Dat was op zichzelf voldoende om het bewijsaanbod te passeren (rov. 3.1.5). De sanctie vloeit niet voort uit de eed zelf, maar uit art. 21 Rv. Dat eiser onder ede had gelogen, maakte de schending wel bijzonder ernstig.

De voorgaande situatie gaat verder dan de situatie waarin tegenbewijs wordt geweigerd over hetzelfde punt waarover is gelogen. Daarover verscheen eerder al een blog op deze website.

Hoe ver mag de rechter gaan?

De Hoge Raad heeft de feitenrechter eerder al veel ruimte gegeven bij het verbinden van gevolgen aan een schending van de waarheidsplicht (art. 21 Rv).

In zijn arrest van 6 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1103, rov. 3.3.2) bevestigde de Hoge Raad dat de keuze voor de sanctie aan de feitenrechter is voorbehouden en in cassatie slechts op begrijpelijkheid wordt getoetst.

Op 16 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1144, rov. 3.3) maakte de Hoge Raad duidelijk dat de sanctie moet passen bij de aard en ernst van de schending en de overige omstandigheden. Zelfs het ontzeggen van een vordering kan onder omstandigheden gerechtvaardigd zijn. Het hof mocht daarbij meewegen dat een te lichte sanctie als een vrijbrief zou kunnen werken.

Ook A-G De Bock ging in haar conclusie van 20 maart 2026 (ECLI:NL:PHR:2026:278) uitgebreid in op art. 21 Rv. Voor een schending is opzet niet vereist. Wel kan worden betoogd dat een ingrijpender sanctie een zwaardere motivering verlangt. Onder omstandigheden kan het belang van handhaving van de waarheidsplicht zwaarder wegen dan het achterhalen van de materiële waarheid. De Hoge Raad deed die zaak af met toepassing van art. 81 RO. A-G Hartlief (die in zijn conclusie bij dit arrest onder meer meende dat tegenbewijs tegen het voorlopige oordeel van het hof had moeten worden toegelaten) sloot zich bij dit kader aan (conclusie van 5 juni 2026, ECLI:NL:PHR:2026:558).

Als een rechter een vordering wegens schending van art. 21 Rv zelfs geheel kan ontzeggen, kan hij in beginsel ook besluiten een partij geen nieuwe bewijsronde te geven. Beslissend blijft of die sanctie, gelet op de omstandigheden, evenredig is en voldoende is gemotiveerd.

Wat betekent de nieuwe bewijswet?

Bij de totstandkoming van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht was aanvankelijk voorgesteld om art. 21 Rv uit te breiden. Partijen zouden al vóór een procedure worden verplicht om relevante informatie te verzamelen (Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3). Die uitbreiding is uiteindelijk bij amendement geschrapt (Kamerstukken II 2023/24, 35 498, nr. 15).

Sinds 1 januari 2025 geldt onder de nieuwe bewijswet wel dezelfde sanctieformule bij schending van de substantiërings- en bewijsaandraagplicht (art. 120 lid 4 en art. 128 lid 5 Rv). Ook daarbij ligt het voor de hand dat de gevolgen in verhouding moeten staan tot de schending. Uit de praktijk blijkt dat rechtbanken daar nog verschillend mee omgaan.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Een partij die onder ede niet de waarheid spreekt, loopt niet alleen een risico op het punt waarover zij heeft gelogen. Ook een bewijsaanbod over een ander geschilpunt kan daardoor worden gepasseerd.

Wie zich tegen zo’n sanctie wil verzetten, moet daarom al bij de rechtbank of het hof concreet aanvoeren waarom de aard en ernst van de schending die sanctie niet rechtvaardigen. In cassatie is de ruimte beperkt tot de begrijpelijkheid van het oordeel.

Daarbij verdient één omstandigheid aandacht. Eiser had al twee keer schriftelijk tegenbewijs ingebracht. Volgens A-G Hartlief maakte dat de sanctie aanzienlijk minder zwaar. Als een partij nog helemaal geen gelegenheid heeft gehad om tegenbewijs te leveren, kan de afweging anders uitvallen.

Deze uitspraak van de Hoge Raad brengt dus niet mee dat iedere onjuistheid een dergelijke sanctie rechtvaardigt. De aard en ernst van de schending en de motivering van de rechter blijven bepalend.

Gijs Wessels

Gijs Wessels

Advocaat bij AMS Advocaten

Gijs Wessels is advocaat bij AMS Advocaten, gespecialiseerd in commerciële en vennootschappelijke geschillen. Hij procedeert in zaken over bestuurdersaansprakelijkheid, aandeelhoudersconflicten en post-M&A-geschillen. Gijs is lid van de Vereniging Jonge Procesadvocaten.

Bekijk het profiel van Gijs