Raadsheer-commissaris wijst vervanging waarderingsdeskundige af: de speelruimte in een prijsbepalingsprocedure
Hidde Reitsma In het kort
- Zijn aandeelhouders het eens over de uittreding maar niet over de prijs, dan kunnen zij de Ondernemingskamer gezamenlijk om een prijsvaststelling vragen (art. 2:343c BW).
- De Ondernemingskamer benoemt dan een waarderingsdeskundige. Daarna ligt de regie bij die deskundige, niet bij partijen.
- In een beschikking van 17 september 2026 wees de (raadsheer-commissaris van de) OK zowel het verzoek tot vervanging van de deskundige als alle andere tegenverzoeken af.
- Wie twijfelt aan de onpartijdigheid van de deskundige moet dat melden zodra hij het weet. Feiten van ná de peildatum tellen in beginsel niet mee.
Sinds de vernieuwde geschillenregeling op 1 januari 2025 in werking trad, vinden ruziënde aandeelhouders elkaar vaker halverwege: het geschil over het vertrék wordt geschikt en wat overblijft is de prijs. De Ondernemingskamer benoemt dan een waarderingsdeskundige. Wat kan een partij doen als dat traject niet loopt zoals zij hoopte? Een beschikking van 17 september 2026 geeft daar een uitvoerig antwoord op. Ondernemingsrechtadvocaat Hidde Reitsma legt uit.
De zaak: twee aandeelhouders die allebei ontevreden zijn over de deskundige
De zaak begon als een dubbel gevecht: de ene aandeelhouder verzocht om uitstoting van de ander, die op zijn beurt om een enquête vroeg. In september 2025 zetten partijen die verzoeken om in een gezamenlijk verzoek tot prijsbepaling. De Ondernemingskamer beval toen een onderzoek naar de waarde van de aandelen en benoemde een waarderingsdeskundige en een raadsheer-commissaris.
In mei 2026 verscheen het concept-deskundigenbericht en liep het vast. De overnemende aandeelhouder verzocht de deskundige te ontheffen, onder meer wegens een volgens haar niet gemelde professionele relatie met een partijdeskundige van de wederpartij en overschrijding van zijn opdracht. De vertrekkende aandeelhouder deed vier tegenverzoeken. Alles werd afgewezen.
De vriendelijke uittreding: snel bedoeld, lang ongebruikt
Art. 2:343c BW regelt de zogenoemde vriendelijke uittreding. Partijen zijn het erover eens dát de aandelen worden overgedragen, alleen de prijs is nog open. De procedure is daarop toegesneden: zij kunnen zelf aanwijzingen vragen over de waarderingsmaatstaf en de peildatum (lid 2), en tegen de beslissingen van de Ondernemingskamer staat geen hogere voorziening open (lid 5). Ook tegen de deskundigenbenoeming en instructies aan hem is geen rechtsmiddel mogelijk.
Die snelheid was de bedoeling van de wetgever, maar lang bleef het bij een goed idee: in de memorie van toelichting bij de Wet aanpassing geschillenregeling en enquêterecht staat nog dat deze procedure tot dan toe twee keer was gevoerd (Kamerstukken II 2023/24, 36 469, nr. 3). Sinds 1 januari 2025 is dat beeld gekanteld. De Ondernemingskamer deed een reeks beschikkingen in prijsbepalingszaken, onder meer over het budget van de deskundige en over de informatie die hij met alle partijen moet delen. De nieuwe regeling lijkt een groot succes.
Wanneer kan een waarderingsdeskundige worden vervangen?
De raadsheer-commissaris stelt twee eisen die samen een hoge drempel opwerpen.
- Direct klagen: een verzoek tot ontheffing op grond van omstandigheden die objectief de indruk kunnen wekken dat de deskundige niet onpartijdig en onafhankelijk is, “moet worden gedaan zodra die feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden” (r.o. 2.3). Wie het verzoek doet, moet dus toelichten wannéér en hoe hij ervan hoorde. Dat ontbrak hier.
- Objectief toetsbare twijfel: dat de partijdeskundige van de wederpartij ooit onbezoldigd optrad op een kantoorseminar van de deskundige, en dat dit niet vooraf was gemeld, is onvoldoende om aan de onpartijdigheid te twijfelen.
De lat ligt hoog, maar niet onredelijk hoog. In HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1067 besliste de Hoge Raad dat een partij niet hoeft aan te wijzen wáár in het rapport de partijdigheid doorwerkt: dat is meestal niet kenbaar.
Lijdelijk is de raadsheer-commissaris overigens niet: de deskundige krijgt wél een aanwijzing over de vraag hoe hij een mogelijke vordering van de vennootschap op een derde moet verdisconteren.
Op één punt lijkt de beschikking verder te gaan dan het arrest uit 2014. Daarin nam de HR tot uitgangspunt dat een klacht nog tijdig is als zij wordt aangevoerd in het eerste processtuk ná deponering van het rapport, tenzij de goede procesorde eerder klagen eist. In de geschillenregeling lijkt de raadsheer-commissaris dit naar voren te trekken en “zodra bekend” de hoofdregel te maken. Wachten op het definitieve rapport is dus riskant.
Eenzijdig contact met de deskundige is uit den boze
Ook het tegenverzoek om inzicht in alle contacten tussen de deskundige en partijen strandde. De raadsheer-commissaris herinnert eraan dat de communicatie met de deskundige in beginsel via de advocaat loopt en dat wie schriftelijk opmerkingen indient, daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij verstrekt. Eenzijdige inhoudelijke correspondentie buiten de afgesproken kanalen om mag niet, en ongevraagd toegezonden zienswijzen hoeft de deskundige niet mee te nemen. De Leidraad voor deskundigen in de geschillenregeling van 21 juli 2026 werkt dat uit.
De peildatum begrenst wat nog meetelt
De deskundige baseert zijn rapport op de feiten per de peildatum, en “feiten en omstandigheden na de peildatum dienen dan ook in beginsel buiten beschouwing te worden gelaten” (r.o. 2.13). De vertrekkende aandeelhouder wilde juist dat latere ontwikkelingen zouden meewegen, waaronder de door hem verwachte uitkomst van tuchtklachten tegen twee accountants. Dat lukt niet met een verzoek aan de raadsheer-commissaris: dat debat hoort thuis bij de prijsvaststelling, nadat het deskundigenbericht er ligt. De raadsheer-commissaris kan bovendien niet alles. Een bevel aan de wederpartij om de executie van een vonnis in een andere procedure te staken valt buiten zijn bevoegdheid.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Klaag onmiddellijk en gemotiveerd als wordt getwijfeld aan de deskundige, maar “pick your battles”: de lat ligt wel hoog. Het waarderingstraject is geen tweede ronde voor bezwaren tegen het beleid van de vennootschap: wie die bezwaren onderzocht wil zien, kiest de enquêteprocedure. Overigens kan een deskundigenbericht soms zelfs achterwege blijven, bijvoorbeeld als de statuten een duidelijke waarderingsmaatstaf bevatten, zoals in deze uittredingszaak. AMS Advocaten stond eerder een partij bij in een aandeelhoudersconflict dat na een enquêteverzoek met een minnelijke regeling werd beëindigd. Vaak blijft dat de snelste route.
Hidde Reitsma
Advocaat bij AMS Advocaten
Hidde Reitsma is advocaat, curator en medeoprichter van AMS Advocaten. Hij is sinds 2002 advocaat en heeft bijna 20 jaar ervaring als curator in faillissementen. Hidde voltooide twee specialisatieopleidingen aan de Grotius Academie, waaronder de INSOLAD/Grotius-opleiding Insolventierecht (cum laude). Hij procedeert regelmatig bij de Ondernemingskamer en is gespecialiseerd in insolventierecht, ondernemingsrecht en erfrecht.
Bekijk het profiel van Hidde