Aandelenoverdracht eisen in kort geding: wanneer kan het?

Hidde Reitsma Hidde Reitsma 19 juli 2012 4 min

Advocaten maken ook onderling wel eens ruzie, zo bleek onlangs uit een uitspraak van de voorzieningenrechter in Alkmaar. In de zomer van 2011 heeft de Deken van de Alkmaarse Orde van Advocaten bemiddeld, en is in zijn bijzijn een aantal afspraken gemaakt over de afwikkeling van de samenwerking. Omdat één van de advocaten vindt dat de gemaakte afspraken voldoende duidelijk zijn, vordert deze medewerking aan een aandelenoverdracht. De vordering wordt toegewezen. Advocaat ondernemingsrecht Hidde Reitsma licht deze zaak toe.

Wanneer komt een overeenkomst tot stand?

De kernvraag in deze zaak was of partijen overeenstemming hadden bereikt. Het afbreken van onderhandelingen is vanaf een bepaald moment niet meer zo maar toegestaan. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding daarvan. Voor toewijzing van de vordering tot nakoming van een overeenkomst in kort geding moet de voorzieningenrechter (de kort geding rechter) met grote mate van waarschijnlijkheid oordelen dat de rechter in een bodemprocedure de vordering eveneens zou toewijzen. In dit geval waren partijen nog niet tot een schriftelijke overeenkomst (contract) gekomen. Wel had een van de partijen de gemaakte afspraken in een e-mail aan de ander bevestigd. Daarop was niet afwijzend of met aanpassingen op gereageerd. Uit deze uitspraak blijkt dat een partij die het niet eens is met de bevestiging van afspraken, adequaat dient te reageren en pro-actief dient aan te geven wat aan de weergave van de gemaakte afspraken volgens hem dan niet klopt. De kans is dus groot dat indien iemand gemaakte afspraken aan de ander bevestigt, en de ander die afspraken niet weerspreekt maar wel communiceert over de (verdere) afstemming, de rechter in de praktijk aan zal nemen dat partijen het op de bevestigde punten in beginsel eens waren.

Keuze bij wanprestatie: vordering tot nakoming of ontbinding

Vervolgens resteert de vraag welke acties (de advocaat van) een partij heeft die stelt dat zijn wederpartij met wie hij gecontracteerd heeft de gemaakte afspraken niet nakomt. In beginsel is er een keuze: hij kan nakoming vorderen van de gemaakte afspraken of hij kan de overeenkomst ontbinden. Een vordering tot nakoming komt erop neer dat een partij die meent rechten te hebben op een bepaalde prestatie bij de rechter kan vorderen dat de tegenpartij wordt veroordeeld tot het leveren van die prestatie. Die prestatie kan bestaan uit het betalen van een geldsom, maar ook uit het leveren van een verkocht goed (tegen betaling van de overeengekomen koopprijs, uiteraard). In principe is iedere prestatie die anders is dan de betaling van een geldsom door de rechter te sanctioneren met een dwangsom. Die dwangsom dient als financiële prikkel voor de veroordeelde partij om de prestatie daadwerkelijk alsnog te leveren.

Ontbinding van een overeenkomst: verzuim

Ontbinding van een overeenkomst heeft geen terugwerkende kracht. Het komt erop neer dat partijen over en weer al hetgeen zij hebben uitgevoerd uit hoofde van de overeenkomst ongedaan moeten maken (dat wil zeggen: eventueel geleverde goederen teruggeven en betaalde gelden terugbetalen). Ontbinding is pas mogelijk als de tegenpartij in verzuim is geraakt, of als nakoming blijvend niet meer mogelijk is. Een partij raakt in principe pas in verzuim indien hij, na schriftelijk in gebreke te zijn gesteld, niet alsnog binnen een redelijke termijn nakomt. Ontbinding dient schriftelijk plaats te vinden en kan desnoods ook door de rechter worden uitgesproken.

Advocaat voor aandelenoverdracht eisen in kort geding

In het hiervoor geschetste geval werd de advocaat die weigerde de aandelen van zijn voormalige compagnon over te nemen in kort geding veroordeeld tot medewerking aan het verlenen van die leveringsakte, op straffe van een dwangsom. De rechter bepaalde daarbij dat indien de veroordeelde advocaat niet binnen 7 dagen zijn medewerking aan het verlenen van die akte zou hebben verleend, het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de veroordeelde compagnon. Omdat een bodemprocedure lang kan lopen, is een het kort geding bij uitstek geschikt om dergelijke impasses te doorbreken. Hoewel de voorzieningenrechter als gezegd in grote mate van waarschijnlijkheid de gegrondheid van de vordering moet aannemen om tot veroordeling over te kunnen gaan, blijkt in de praktijk dat de meeste rechters praktisch omgaan met hun taken, en ook zien dat het laten voortduren van een impasse tussen partijen niet wenselijk is.