Faillissementsfraude: strafrechtelijk vonnis onvoldoende bewijskracht?

Sander Schouten Sander Schouten 13 mei 2014 3 min

Naast de (civielrechtelijke) middelen die een curator ter beschikking staan om de gevolgen van fraude ongedaan te maken, zijn specifieke vormen van faillissementsfraude ook strafbaar op grond van het Wetboek van Strafrecht. Een veroordelend strafrechtelijk vonnis bleek in een recente zaak van de rechtbank Amsterdam echter onvoldoende bewijs bij de onderbouwing van een civielrechtelijke aansprakelijkheid. Advocaat gespecialiseerd in bestuurdersaansprakelijkheid  Sander Schouten bespreekt de zaak.

Bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement

In het geval van faillissement kan een bestuurder van een vennootschap door een curator hoofdelijk, en dus persoonlijk, aansprakelijk worden gehouden voor een tekort in de faillissementsboedel. Voorwaarde hiervoor is dat wordt aangetoond dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, en aannemelijk is dat dit bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement (artikel 2:248 lid 1 BW). Van een tekort is sprake indien na vereffening door de curator blijkt dat niet alle schulden kunnen worden voldaan. Naast een bestuurder kan ook eenieder die het beleid van de vennootschap heeft bepaald, of mede heeft bepaald ‘als ware hij bestuurder’, door de curator worden aangesproken.

Handelen als ware bestuurder

Uit rechtspraak volgt dat voor het aannemen van het handelen ‘als ware hij bestuurder’ sprake moet zijn van een directe bemoeienis met het bestuur en daarnaast van een terzijdestelling van het formele bestuur. Terzijdestelling van het bestuur kan daarbij op grond van rechtspraak al plaatsvinden doordat de formele bestuurders van de vennootschap dit gedogen of opdrachten van de beleidsbepaler opvolgen.

Geen dwingende bewijskracht strafvonnis

Dwingende rechtskracht houdt allereerst in dat dat de rechter behouders tegenbewijs verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen. De rechtbank Amsterdam wees recent een vordering ingesteld door een curator op grond van onbehoorlijk bestuur af. De curator had namelijk niet, dan wel onvoldoende concreet gesteld dat 1) de adviseur heeft gehandeld met terzijdestelling van het formele bestuur, 2) waaruit de onbehoorlijke taakvervulling zou bestaan en 3) hoe deze handelingen hebben geleid tot de faillissementen. De curator verwees wel naar een tegen de financieel adviseur van de failliete vennootschappen gewezen strafvonnis. Hoewel in het vonnis frauduleus en paulianeus handelen van de adviseur bewezen was verklaard, oordeelde de rechtbank dat deze verwijzing te algemeen en onvoldoende specifiek was. Daarnaast was hoger beroep ingesteld tegen het strafvonnis waardoor hieraan geen dwingende bewijskracht toekomt.

AMS Advocaten: advocaat bij bestuurdersaansprakelijkheid

Uit deze uitspraak volgt kortom dat een strafrechtelijke veroordeling niet zonder meer leidt tot een civielrechtelijke veroordeling. De bewijskracht kan beperkt zijn zoals in het onderhavige geval. Een curator zal om die reden de voorwaarden die het burgerlijk wetboek stelt aan een hoofdelijke aansprakelijkheid van een bestuurder of een derde om die reden goed moeten motiveren.