De geschillenregeling in het kort

Binnen iedere samenwerking kunnen geschillen ontstaan. Zo ook in de samenwerking tussen aandeelhouders in een vennootschap. Vaak is er in een aandeelhoudersovereenkomst een regeling opgenomen om een geschil te beslechten. Wanneer de aandeelhouders dat geschil niet onderling kunnen oplossen, is het echter van belang dat de wet voorziet in een regeling om dat geschil effectief te beslechten. De wet biedt daarvoor een specifiek instrument: de wettelijke geschillenregeling.

De regeling maakt het mogelijk om de overdracht van aandelen of certificaten af te dwingen. De Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam beslist in eerste en enige feitelijke instantie over deze zaken. Sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpassing geschillenregeling en verduidelijking ontvankelijkheidseisen enquêterecht (Wagevoe) op 1 januari 2025 is de het gebruik van deze procedurele mogelijkheid sterk toegenomen: waar er in de voorgaande 36 jaar tijd ongeveer 145 procedures in de geschillenregeling zijn gevoerd, zijn er in de eerste acht maanden van 2025 al meer dan vijftig nieuwe verzoeken ingediend. Dit heeft erin geresulteerd dat de Ondernemingskamer extra zittingsdagen plant om zo de verzoeken voortvarend te kunnen behandelen.

De geschillenregeling bestaat uit vier procedures, elk met een eigen insteek: de uitstoting (waarbij een aandeelhouder wordt gedwongen zijn aandelen over te dragen), de uittreding (waarbij een aandeelhouder juist zelf wil worden uitgekocht), de gedwongen overdracht van stemrecht van een vruchtgebruiker of pandhouder en een procedure voor prijsvaststelling bij vrijwillige overdracht. Welke route passend is, hangt af van de vraag wie “eruit” moet of wil en wat de rolverdeling in de vennootschap is. De praktijk laat bovendien zien dat een verzoek onder de geschillenregeling zich goed laat combineren met een enquêteverzoek.

Uitstoting van een aandeelhouder

Wie kan uitstoting vorderen

De uitstotingsprocedure (art. 2:336a BW) is bedoeld voor situaties waarin één aandeelhouder de onderneming zodanig belemmert of schaadt dat zijn aandeelhouderschap niet langer aanvaardbaar is. Een verzoek kan worden ingediend door één of meer aandeelhouders die samen ten minste een derde van het geplaatste kapitaal houden. Deze drempel is dwingend recht; statuten kunnen dit niet wijzigen. Ook stemrechtloze of winstrechtloze aandelen tellen hierin mee. De vennootschap zelf en certificaathouders kunnen géén uitstoting van een andere aandeelhouder vorderen.
Is een aandeelhouder op het moment van indiening gerechtigd, maar zakt hij daarna buiten zijn schuld door een emissie onder de drempel voor ontvankelijkheid van een derde van het geplaatste kapitaal, dan geldt in beginsel de regel: “binnen is binnen”. Het verzoek blijft dan ontvankelijk. Trekt één van gezamenlijk verzoekende aandeelhouders zich echter terug of verkoopt deze vrijwillig aandelen, waardoor de drempel niet langer wordt gehaald, dan kan dat wel gevolgen hebben voor de ontvankelijkheid. Het is op basis van jurisprudentie uit de enquêteprocedure de verwachting dat de Ondernemingskamer ook bij een moedwillige verwatering voorafgaand aan de indiening van een verzoek tot uitstoting waardoor de verzoekers onder de drempel van een derde zakken, de verzoekers in het verzoek zal ontvangen.

Wanneer is een verzoek tot uitstoting toewijsbaar

Voor toewijzing van een uitstotingsverzoek is vereist dat een aandeelhouder door zijn gedragingen al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.

Daarbij wordt eerst gekeken naar het gedrag van de betrokken aandeelhouder: sinds de Wagevoe tellen alle relevante gedragingen mee, niet alleen wat hij strikt “als aandeelhouder” doet, maar ook optreden als bestuurder, werknemer of zelfs daarbuiten, zolang dat aan hem kan worden toegerekend. Denk aan met de vennootschap concurrerende activiteiten, het onttrekken van gelden of het doelbewust blokkeren van noodzakelijke besluiten.

Vervolgens beoordeelt de rechter of dit gedrag het belang van de vennootschap daadwerkelijk schaadt. Alleen ruzie of karakterbotsing is dus niet genoeg. Het moet gaan om situaties waarin functioneren of voortbestaan van de onderneming in de knel komt. Ook bij schade volgt niet automatisch uitstoting, want de Ondernemingskamer weegt tot slot af of voortzetting van het aandeelhouderschap nog aanvaardbaar is, gelet op ernst van de gedragingen, mogelijke alternatieven en de gevolgen voor vennootschap en andere betrokkenen. Bovenstaande maakt dat de lat voor het toewijzen van een verzoek tot uitstoting duidelijk hoger ligt dan de lat voor het toewijzen van een enquêteverzoek.

Uittreding door een aandeelhouder

Wanneer kunt u uittreding vragen

De uittredingsprocedure (art. 2:343 BW) is het spiegelbeeld van uitstoting. Hier is het de aandeelhouder (en sinds begin 2025 ook de certificaathouder) zelf die verzoekt dat zijn aandelen of certificaten worden overgenomen, omdat hij bekneld is en zijn positie in de vennootschap onhoudbaar is geworden. Anders dan bij uitstoting bestaat er voor het indienen van een verzoek geen minimumdrempel: zowel de meerderheidsaandeelhouder als een minderheidsaandeelhouder met één aandeel kan uittreding vragen. De Ondernemingskamer kan bij toewijzing van het verzoek bepalen dat een of meer aandeelhouders en de vennootschap de aandelen van de uittredende aandeelhouder moeten overnemen. Als het verzoek wordt toegewezen, zijn de aangewezen kopers in beginsel hoofdelijk verplicht om af te nemen en kan de beschikking tegen ieder van hen ten uitvoer worden gelegd.

Wanneer is een verzoek tot uitstoting toewijsbaar

Voor uittreding geldt dat de aandeelhouder of certificaathouder door gedragingen van andere aandeelhouders of de vennootschap zodanig in zijn rechten of belangen moet zijn geschaad dat voortzetting van zijn aandeelhouderschap redelijkerwijs niet meer van hem kan worden gevergd. Voor toewijzing van een verzoek tegen de vennootschap (die dan dus zal moeten afnemen) is niet vereist dat het gaat om gedragingen van de vennootschap, maar kunnen ook gedragingen van medeaandeelhouders aanleiding geven.

In de praktijk kan gedacht worden aan structurele schending van informatierechten, stelselmatige uitsluiting van besluitvorming, het zonder goede redenen uitblijven van dividenduitkeringen of het feitelijk buitenspel zetten van een aandeelhouder na ontslag als bestuurder. De Ondernemingskamer kijkt vervolgens of er daadwerkelijk schade is aan financiële, zeggenschaps- of vermogensbelangen en past ten slotte een redelijkheidstoets toe, waarbij het belang van de vennootschap indirect een rol speelt. Kapitaalbeschermingsregels (zoals art. 2:207 BW voor de besloten vennootschap) beperken bijvoorbeeld de mogelijkheid voor de vennootschap om eigen aandelen in te kopen. Als de vennootschap de prijs niet verantwoord kan betalen, kan het verzoek niet zonder meer worden toegewezen. Ook zal de Ondernemingskamer terughoudend zijn als toewijzing de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt. De regeling is dus geschreven ter bescherming van de beknelde aandeelhouder, maar bij toewijzing zal de Ondernemingskamer rekening houden met wat de vennootschap financieel en organisatorisch kan dragen.

De verhouding tussen eigen regelingen en de geschillenregeling

Veel aandeelhouders leggen in statuten of aandeelhoudersovereenkomsten eigen exitafspraken vast, zoals aanbiedingsplichten en good leaver/bad leaver-bepalingen. De wetgever ziet de wettelijke geschillenregeling als een vangnet en laat in art. 2:337 lid 1 BW expliciet ruimte voor zulke eigen regelingen. In beginsel gaan deze voor op de wettelijke geschillenregeling.

Die voorrang is echter niet zonder beperkingen en op een eigen regeling kan geen beroep worden gedaan voor zover deze de overdracht van aandelen onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt. De Ondernemingskamer kijkt in de praktijk of de eigen regeling daadwerkelijk een reële exit biedt. Dat betekent dat er zicht moet zijn op een daadwerkelijke overdracht, bij voorkeur binnen afzienbare tijd (waarbij een half jaar wordt aangehouden), dat de regeling niet onmogelijk of uiterst bezwarend is (bijvoorbeeld door een lock-up van enkele jaren) en dat de prijs niet kennelijk onredelijk is.

Een aanbiedingsplicht zonder afnameplicht is daarbij doorgaans onvoldoende: er moet ook een concrete verplichting zijn aan de andere kant om daadwerkelijk af te nemen wil een eigen regeling de wettelijke geschillenregeling terzijde schuiven. Wanneer er geen contractuele plicht tot afname is, is het denkbaar dat een aandeelhouder zich vrijwillig verplicht tot afname door dit onherroepelijk toe te zeggen. Voor wat betreft het criterium dat de eigen regeling niet mag resulteren in een kennelijk onredelijke prijs heeft te gelden dat alleen in “sprekende gevallen” een contractuele of statutaire prijsregeling terzijde worden geschoven, bijvoorbeeld bij waarderingen die evident ver onder de werkelijke waarde liggen.

Voorlopige voorzieningen

In ieder aandeelhoudersconflict kunnen zich situaties voordoen waarin niet kan worden gewacht op de uitkomst van de geschillenregeling. Zo kan het belang van de vennootschap vragen om acuut ingrijpen door bijvoorbeeld schorsing van een bestuurder. De wet biedt daarom de mogelijkheid om voorlopige voorzieningen te vragen (art. 2:338 lid 3 BW jo. art. 223 Rv) die samenhangen met de hoofdzaak. Een dergelijke voorlopige voorziening is een soort kort geding binnen de lopende procedure.

De Ondernemingskamer kan uiteenlopende tijdelijke maatregelen treffen, zoals bijvoorbeeld de benoeming van een onafhankelijke bestuurder, het schorsen van stemrechten van een aandeelhouder, het tijdelijk buiten werking stellen van bepaalde contractuele verplichtingen of andere ingrepen die nodig zijn om de onderneming stabiel te houden. Het verzoek om een voorziening wordt met spoed behandeld. Anders dan in het gewone kort geding is een afzonderlijk “spoedeisend belang” in de strikte zin geen wettelijke voorwaarde, maar vanzelfsprekend speelt de urgentie van de situatie een grote rol. De voorziening geldt in principe tot het moment waarop de aandelen zijn overgedragen of de procedure eindigt. Hoewel het gaat om een voorlopige voorziening, volgt uit jurisprudentie dat de feitelijke gevolgen van een voorziening blijvend kunnen zijn.

Samenhangende vorderingen

De Ondernemingskamer kan niet alleen beslissen over uitstoting of uittreding, maar ook over zogeheten samenhangende vorderingen (art. 2:336a lid 6 BW). Het gaat dan om vorderingen tussen dezelfde partijen, of tussen een van hen en de vennootschap, die verband houden met de gedragingen die aan het verzoek ten grondslag liggen. De gedachte hierachter is dat bij een aandeelhoudersgeschil er vaak meer geschilpunten zijn dan alleen de gewenste overdracht van aandelen, en dat het belang van de vennootschap vergt dat al deze geschillen zo veel als mogelijk in een keer kunnen worden beslecht.

In de praktijk kan dat bijvoorbeeld een schadevergoedingsvordering zijn, een geschil over een nonconcurrentiebeding, een managementovereenkomst, een rekeningcourantpositie of de geldigheid van besluiten van de algemene vergadering of het bestuur. Het voordeel is dat het gehele conflict in één keer kan worden opgelost, zonder parallelle procedures bij verschillende rechters. Tegelijkertijd kan de Ondernemingskamer een zaak splitsen en een deel naar de gewone civiele rechter verwijzen (art. 2:336a lid 7 BW), bijvoorbeeld als een ingewikkelde vermogensrechtelijke vordering zich beter leent voor behandeling in twee feitelijke instanties met hoger beroep. Steeds staat centraal of gezamenlijke behandeling bijdraagt aan een praktische, volledige oplossing van het aandeelhoudersgeschil.

Waardering en prijsvaststelling

Na toewijzing van een uitstotings- of uittredingsverzoek moet worden bepaald tegen welke prijs de aandelen of certificaten worden overgedragen. Partijen hebben doorgaans een tegengesteld belang bij de hoogte van de waarde en de prijs. Om tot een zorgvuldige vaststelling van de prijs te komen benoemt de Ondernemingskamer op grond van art. 2:339 BW een (of meer) onafhankelijke deskundige(n) om de waarde vast te stellen, tenzij de Ondernemingskamer de prijs eenvoudig zelf kan vaststellen. Die deskundige krijgt vergaande bevoegdheden (art. 190 Rv en art. 2:351 BW) om informatie bij de vennootschap en partijen op te vragen en is gebonden aan strikte eisen van onafhankelijkheid en zorgvuldigheid.

De wet kent geen vaste peildatum waartegen de waardering moet plaatsvinden. Wanneer partijen hierover geen (ad hoc) afspraken hebben gemaakt, sluit de Ondernemingskamer in de praktijk doorgaans aan bij het moment waarop vaststaat dat de overdracht zal plaatsvinden, te weten het moment van de beschikking op het uitstotings- of uittredingsverzoek. De waardering gebeurt op basis van de economische waarde (“fair value”), zonder kortingen vanwege incourantheid, minderheidsposities of de spanning van het conflict. In de door de Ondernemingskamer gepubliceerde Leidraad wordt de DCFmethode als vertrekpunt genoemd. Waardevermindering die het gevolg is van verwijtbaar gedrag vóór de peildatum kan worden gecorrigeerd, bijvoorbeeld door een billijke verhoging van de prijs bij uittreding of door een samenhangende schadevordering. De Ondernemingskamer is bij de uiteindelijke prijsvaststelling niet gebonden aan het deskundigenbericht en kan hiervan gemotiveerd afwijken, onder meer wanneer de waarde tussen peildatum en overdracht aantoonbaar is veranderd.

Strategisch is het belangrijk om in een vroeg stadium goed na te denken over dit onderdeel van de procedure en om in overleg met een advocaat en een waarderingsdeskundige voor te sorteren op een mogelijke uitkomst. Dit helpt partijen in de praktijk ook om voorafgaand of tijdens de procedure (proces)afspraken te maken of een regeling te treffen.

Tot slot

De recente invoering van de nieuwe geschillenregeling heeft niet alleen materiële normen verruimd, maar ook de procedure ingrijpend gewijzigd. De geschillenregeling verloopt nu via een verzoekschriftprocedure bij de Ondernemingskamer als enige feitelijke instantie en hoger beroep is niet mogelijk. Alleen cassatie bij de Hoge Raad staat nog open. In de praktijk leidt deze concentratie tot een snellere en meer gespecialiseerde behandeling van aandeelhoudersgeschillen. Ook wordt de geschillenregeling steeds vaker gecombineerd met samenhangende vorderingen of een enquêteverzoek, en als partijen daar tijdens de zitting samen uitkomen met een gezamenlijk verzoek tot prijsvaststelling bij vrijwillige overdracht (art. 2:343c BW).

Voor aandeelhouders betekent dit dat de geschillenregeling een krachtig, maar ingrijpend instrument is. Wie een procedure start, moet rekening houden met het procesrisico, de kosten van deskundigen en de impact op de onderneming. Tegelijkertijd wordt in veel zaken tijdens of zelfs voor de mondelinge behandeling een regeling getroffen, juist omdat de contouren van een rechterlijke beslissing dan scherp in beeld komen.

In dat spanningsveld procederen en adviseren de ervaren ondernemingsrechtadvocaten van AMS Advocaten strategische beslissingen over contractuele eigen regelingen en waarderingsvraagstukken tot het combineren van de geschillenregeling met de enquêteprocedure of samenhangende vorderingen.