Uitgestoten als aandeelhouder tegen 20% van de marktwaarde: wanneer beschermt een contractuele geschillenregeling niet?

Gijs Wessels Gijs Wessels 15 juni 2026 6 min

In het kort

  • Een contractuele geschillenregeling staat alleen aan de wettelijke uitstotingsregeling in de weg als zij binnen afzienbare termijn tot daadwerkelijke overdracht van de aandelen kan leiden, die overdracht niet uiterst bezwaarlijk of onmogelijk maakt en niet tot een kennelijk onredelijke prijs leidt (art. 2:337 lid 1 BW).
  • Een aanbiedingsplicht zónder afnameplicht is daarvoor onvoldoende. Wie bovendien zelf het bestaan van de aanbiedingsplicht betwist, kan zich niet op de eigen regeling beroepen.
  • Bevat de overeenkomst een duidelijke waarderingsmaatstaf, dan kan de Ondernemingskamer de prijs zelf vaststellen en een deskundigenbenoeming achterwege laten (art. 2:339 lid 3 BW).
  • Bij de prijsvaststelling houdt de Ondernemingskamer rekening met contractuele prijsbepalingen, inclusief bad leaver-clausules (art. 2:340 lid 3 BW): hier 20% van de marktwaarde.
  • Wie overgelegde cijfers wil betwisten, moet concreet maken welke posten onjuist zijn. De blote stelling dat de cijfers niet controleerbaar zijn, volstaat niet. Zeker niet voor wie zelf nauw bij de onderneming betrokken was.
  • Een aandeelhouder die de vennootschap willens en wetens in gevaar brengt, handelt in strijd met art. 2:8 BW en riskeert uitstoting (art. 2:336a lid 1 BW). Dit geldt ook als de schadelijke gedragingen afkomstig zijn van zijn achterliggende aandeelhouder of gelieerde vennootschappen.

Conflict na de overname

Een aandeelhoudersovereenkomst moet bescherming bieden als de verhoudingen verzuren. Maar wat als die overeenkomst niet sluitend is? Een recente beschikking van de Ondernemingskamer (11 juni 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1603) laat zien hoe dat kan uitpakken. De oprichter van een grote GGZ-instelling verkocht zijn onderneming, waarna hij nog indirect 15% van de aandelen hield en raakte vervolgens in conflict met haar medeaandeelhouders. Zij verzocht een enquêteverzoek; dat werd afgewezen. Het tegenverzoek van haar medeaandeelhouders tot uitstoting werd wel toegewezen: zij moest haar aandelen overdragen tegen de contractuele bad leaver-prijs van 20% van de marktwaarde ex € 47.692,29. Twee vragen springen eruit: (i) wanneer blokkeert een contractuele geschillenregeling de gang naar de Ondernemingskamer, en (ii) hoe stelt de Ondernemingskamer de prijs vast?

De wettelijke uitstotingsregeling

Op grond van art. 2:336a lid 1 BW kunnen aandeelhouders de Ondernemingskamer verzoeken een medeaandeelhouder te veroordelen zijn aandelen over te dragen, wanneer die door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Sinds de Wet aanpassing geschillenregeling en verduidelijking ontvankelijkheidseisen enquêteprocedure (Wagevoe, per 1 januari 2025) oordeelt de Ondernemingskamer exclusief en in eerste aanleg over zulke verzoeken, in een verzoekschriftprocedure. Dat maakt het mogelijk om (zoals in casu) een enquêteverzoek te beantwoorden met een uitstotingsverzoek in dezelfde procedure.

De escalatie

De koper had bij de overname een vrijwaring bedongen voor terugvorderingen van zorgverzekeraars wegens overschrijding van omzetplafonds uit de periode vóór de transactie. Die terugvorderingen kwamen er, waarna de vennootschap in liquiditeitsproblemen kwam en door de bank onder bijzonder beheer werd geplaatst. De verkoper (thans minderheidsaandeelhouder) kwam haar vrijwaringsverplichting niet na, terwijl zij die niet inhoudelijk betwistte. Vervolgens vroeg een aan haar gelieerde verhuurder het faillissement van de werkmaatschappij aan, wegens een huurachterstand die mede was veroorzaakt door haar eigen niet-nakoming. 

Eigen regeling: aanbiedingsplicht zonder afnameplicht redt het niet

De verkoper en minderheidsaandeelhouder verweerde zich tegen het uitstotingsverzoek met een beroep op art. 2:337 lid 1 BW: de aandeelhoudersovereenkomst bevatte een eigen geschillenregeling, dus voor de wettelijke regeling zou geen plaats zijn. De Ondernemingskamer herhaalt de voorwaarden waaraan zo’n eigen regeling moet voldoen. Zij moet (i) kunnen leiden tot daadwerkelijke overdracht van de aandelen, (ii) binnen afzienbare termijn, mag (iii) die overdracht niet uiterst bezwaarlijk of onmogelijk maken en mag (iv) niet leiden tot een kennelijk onredelijke prijs.

Het verweer strandde erop dat de overeenkomst wel een aanbiedingsplicht, maar geen afnameplicht kende. Zonder afnameplicht is niet gewaarborgd dat de eigen regeling binnen afzienbare tijd tot daadwerkelijke overdracht leidt. Het argument van de verkoper dat een afnameplicht bij uitstoting (anders dan bij uittreding) niet nodig zou zijn, verwierp de Ondernemingskamer: dat verweer viel niet te rijmen met het feit dat de aandeelhouder het bestaan van de aanbiedingsplicht zelf betwistte. De Ondernemingskamer verwees daarbij spiegelbeeldig naar haar Facemed-beschikking over uittreding (ECLI:NL:GHAMS:2023:995).

Het oordeel van de Ondernemingskamer

Inhoudelijk was de Ondernemingskamer streng tegen de verkoper. De aandeelhouder bracht de vennootschap door de welbewuste niet-nakoming van de vrijwaring in grote financiële problemen en vroeg vervolgens via een gelieerde vennootschap op uiterst korte termijn het faillissement aan. Daarmee maakte zij de vennootschap tot speelbal in het aandeelhoudersconflict en bracht zij het voortbestaan van een grote GGZ-organisatie in gevaar. De Ondernemingskamer weegt mee dat het vennootschappelijk belang hier mede wordt gekleurd door het publieke belang bij continuïteit van de geestelijke gezondheidszorg. Deze handelwijze is ernstig in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW. Dat rechtvaardigt uitstoting; de overige verwijten bleven onbesproken.

Opvallend is dat de dragende gedragingen niet die van de aandeelhouder zelf waren, maar van de achterliggende aandeelhouder en aan hem gelieerde vennootschappen. De Ondernemingskamer rekent die gedragingen via art. 2:8 BW aan de aandeelhouder toe: ook organisatorisch met de aandeelhouder verbonden (rechts)personen moeten zich het vennootschappelijk belang aantrekken (met verwijzing naar het Funda-arrest, ECLI:NL:HR:2023:1283). Wie zich als DGA achter een persoonlijke holding verschuilt, wordt daardoor niet beschermd.

De prijsbepaling: bad leaver en geen deskundige benoeming

Bij de prijsvaststelling houdt de Ondernemingskamer op grond van art. 2:340 lid 3 BW rekening met prijsbepalingen in statuten of overeenkomst, tenzij dat tot een kennelijk onredelijke prijs leidt. In dat kader kan zij ook beoordelen of de aandeelhouder als good of bad leaver kwalificeert (vgl. de Enora-beschikking, ECLI:NL:GHAMS:2026:411). De toewijzing van de uitstoting impliceerde hier een bad leaver-situatie: de prijs bedraagt dan contractueel 20% van de marktwaarde.

Vervolgens past de Ondernemingskamer art. 2:339 lid 3 BW toe: omdat de overeenkomst een duidelijke waarderingsmaatstaf bevatte (vijf maal de gemiddelde EBITDA), kon zij de prijs zelf vaststellen en een deskundigenbenoeming achterwege laten. Twee punten verdienen aandacht. Ten eerste paste de Ondernemingskamer géén cash & debt free-correctie toe, omdat partijen die correctie niet waren overeengekomen. Ten tweede passeerde zij de betwisting van de EBITDA-cijfers. De aandeelhouder stelde slechts dat zij de cijfers niet kon controleren. Dat was onvoldoende: zij was als voormalig DGA en via de managementovereenkomst nauw bij de onderneming betrokken en had daarom concreet moeten aangeven welke posten onjuist waren.

Belang voor de praktijk

Wie wil dat de aandeelhoudersovereenkomst de wettelijke geschillenregeling vervangt, moet letten op: een aanbiedingsplicht mét afnameplicht, een werkbare termijn en een redelijke prijsmaatstaf. Anders blijft de gang naar de Ondernemingskamer gewoon openstaan. Voor de procespraktijk is relevant dat waarderingscijfers concreet en onderbouwd betwist moeten worden, zeker als de uitgestoten vennootschap zelf toegang had tot de financiële informatie.

Een kanttekening past. Niet ieder aandeelhoudersconflict rechtvaardigt uitstoting. En ook de prijsvaststelling zonder deskundige is gebonden aan de beoordeling van het specifieke geval: bij een serieus gemotiveerde betwisting van de cijfers ligt benoeming van een deskundige nog steeds in de rede. Ten slotte toetst de Ondernemingskamer de uitkomst (20% van de marktwaarde) niet expliciet aan de maatstaf van de kennelijk onredelijke prijs van art. 2:340 lid 3 BW, terwijl zij in eerdere rechtspraak bad leaver-kortingen wel eens kennelijk onredelijk heeft geoordeeld. Of een korting van deze omvang die toets in een volgend geval doorstaat, is daarmee niet gezegd.

Conclusie

Een contractuele geschillenregeling beschermt alleen wie haar sluitend heeft geregeld én zich er consequent op beroept. Een aanbiedingsplicht zonder afnameplicht houdt de Ondernemingskamer niet buiten de deur. En wie bij de uitstoting eenmaal als bad leaver kwalificeert, wordt afgerekend tegen de contractuele prijs, hier 20% van de marktwaarde, zonder tussenkomst van een deskundige.

Gijs Wessels

Gijs Wessels

Advocaat bij AMS Advocaten

Gijs Wessels is advocaat bij AMS Advocaten, gespecialiseerd in commerciële en vennootschappelijke geschillen. Hij procedeert in zaken over bestuurdersaansprakelijkheid, aandeelhoudersconflicten en post-M&A-geschillen. Gijs is lid van de Vereniging Jonge Procesadvocaten.

Bekijk het profiel van Gijs