Geen wanbeleid ondanks ernstige gebreken? De Hoge Raad over het belang bij een wanbeleidsoordeel in de enquêteprocedure
In het kort
- De Hoge Raad bevestigt dat de Ondernemingskamer niet verplicht is wanbeleid vast te stellen, zelfs bij ernstige gebreken in de besluitvorming.
- Herstelmaatregelen van de vennootschap kunnen een belangrijke rol spelen bij de beoordeling in de tweede fase van de enquêteprocedure.
- Een wanbeleidsoordeel vereist een concreet en actueel belang; zonder dat belang kan het verzoek worden afgewezen.
- Minderheidsaandeelhouders moeten hun belang bij een wanbeleidsoordeel goed onderbouwen, bijvoorbeeld met het oog op aansprakelijkheid of schade.
Stel: een onderzoeker concludeert dat de besluitvorming binnen een vennootschap ernstige gebreken vertoont, zowel van formele als van materiële aard, en dat daarbij onvoldoende oog is geweest voor het belang van de vennootschap en haar minderheidsaandeelhouders. Is de Ondernemingskamer dan verplicht wanbeleid vast te stellen? De Hoge Raad beantwoordt die vraag in zijn beschikking van 13 maart 2026 ontkennend. Advocaat ondernemingsrecht Xagan Heerbaart legt uit wat dit betekent voor minderheidsaandeelhouders die de enquêteprocedure als instrument willen inzetten om het beleid en de gang van zaken binnen een vennootschap te laten onderzoeken.
De zaak: ICTS International N.V.
ICTS International N.V. is de houdstermaatschappij van een internationaal opererende groep op het gebied van luchtvaart- en luchthavenbeveiliging en identiteitsverificatie. Wereldwijd werken bij de groep circa 10.000 werknemers. De aandelen in ICTS worden gehouden door meerderheidsaandeelhouder Spencer Corporation Ltd. en diverse minderheidsaandeelhouders, onder wie de verzoeker in deze procedure.
Aanleiding voor de enquêteprocedure waren twee besluiten uit mei/juni 2019 over een aandelenuitgifte en een conversiebesluit, die niet door de bevoegde organen waren genomen. Deze besluiten vormden voor de minderheidsaandeelhouder aanleiding om zich tot de Ondernemingskamer te wenden. Die kan, indien zij gegronde redenen ziet om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, in de eerste fase een onderzoek gelasten, waarna in de tweede fase aan de hand van het onderzoeksverslag wordt beoordeeld of sprake is van wanbeleid. In deze zaak gelastte de Ondernemingskamer een dergelijk onderzoek.
De tweede fase beschikking: geen wanbeleid
In de tweede fase verzocht de minderheidsaandeelhouder de Ondernemingskamer vast te stellen dat uit het verslag van wanbeleid was gebleken. De Ondernemingskamer erkende de gebreken, maar wees het verzoek toch af. Zij kwalificeerde de besluitvorming als onjuist beleid – niet als wanbeleid – en hechtte daarbij veel waarde aan de uitgebreide hersteloperatie die ICTS inmiddels had uitgevoerd om de gevolgen van de formele gebreken in de besluitvorming te redresseren en herhaling van de onderzochte gebeurtenissen te voorkomen.
Bovendien woog de Ondernemingskamer mee dat ICTS actief is in een sector – luchthavenbeveiliging en identiteitsverificatie – waarin stabiliteit en betrouwbaarheid essentieel zijn en waarin een wanbeleidsoordeel, ook door buitenlandse opdrachtgevers die de enquêteprocedure niet kennen, verkeerd zou kunnen worden geïnterpreteerd. Daarbij achtte de Ondernemingskamer van belang dat niet was gebleken van enige resterende of dreigende schade voor ICTS of haar minderheidsaandeelhouders. Onder die omstandigheden was met een wanbeleidsoordeel geen rechtens te respecteren belang meer gediend, zodat het verzoek werd afgewezen.
Het oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad laat dat oordeel in stand. Hij verwerpt de opvatting dat de Ondernemingskamer bij ernstige formele en materiële gebreken, waarbij onvoldoende oog is geweest voor het belang van de vennootschap en haar minderheidsaandeelhouders, steeds gehouden is een wanbeleidsoordeel uit te spreken. Bij de beoordeling mag de Ondernemingskamer ook acht slaan op herstelmaatregelen die pas na de eerste fase beschikking zijn getroffen. De Hoge Raad bevestigt daarmee dat een wanbeleidsoordeel geen automatisme is.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Een wanbeleidsoordeel is in de praktijk van grote waarde: het vormt doorgaans een sterk vertrekpunt voor een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure tegen bestuurders en heeft daarnaast ook zelfstandige betekenis, omdat daarmee door de rechter wordt vastgesteld dat sprake is geweest van wanbeleid, los van de vraag of daarna nog een aansprakelijkheidsprocedure volgt.
Kortom, het is geen vaststaand gegeven dat, als uit het onderzoek naar het beleid van de vennootschap blijkt dat er gebreken zijn, daarmee ook sprake is van wanbeleid. Bij het oordeel daarover (in de tweede fase van de enquêteprocedure) is evenzeer relevant of bij het uitspreken van dat oordeel nog een voldoende belang bestaat. Een vennootschap die adequaat herstel realiseert – ook pas ná de eerste fase beschikking – kan daarmee een wanbeleidsoordeel afwenden.
De minderheidsaandeelhouder die desondanks een wanbeleidsoordeel nastreeft, doet er verstandig aan dat belang zelfstandig en concreet te onderbouwen. De loutere verwijzing naar de ernst van de gebreken volstaat niet, er is meer nodig. Denk aan een beoogde aansprakelijkheidsprocedure of aantoonbare schade aan de waarde van de minderheidsdeelneming die nog niet ongedaan is gemaakt. Wie die onderbouwing achterwege laat, loopt het risico dat de Ondernemingskamer oordeelt dat geen rechtens te respecteren belang (meer) bestaat bij het uitspreken van het oordeel, hoe ernstig de gebreken ook waren.
Xagan Heerbaart
Advocaat bij AMS Advocaten
Xagan Heerbaart is advocaat bij AMS Advocaten, gespecialiseerd in ondernemingsrecht. Zij studeerde af aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en heeft ervaring met procedures bij de Ondernemingskamer. Xagan adviseert en procedeert in aandeelhoudersgeschillen, post-M&A-geschillen en enquêteprocedures.
Bekijk het profiel van Xagan