Staatseigendommen met publieke bestemming niet vatbaar voor beslag!

Sander Schouten Sander Schouten 29 april 2015 3 min

Het volkenrechtelijke beginsel van immuniteit van executie houdt in dat geen beslag kan worden gelegd op goederen van een (vreemde) staat die een publieke bestemming hebben. Op de Nederlandse Staat rust de verplichting te voorkomen dat een beslag strijd oplevert met deze volkenrechtelijke verplichting. Advocaat beslag- en executierecht Sander Schouten bespreekt een uitspraak van het gerechtshof waarin dit leerstuk aan de orde kwam.

 

Derdenbeslag gelegd ten laste van de staat Irak

De zaak die ik hier wil bespreken is het hoger beroep van een eerder op dit blog besproken kort geding vonnis. Aanleiding voor dit kort geding waren de door een schuldeiser gelegde derdenbeslagen onder vorderingen die de staat Irak had op een aantal Nederlandse ondernemingen. Volgens de Nederlandse Staat was er sprake van een schending van het volkenrecht omdat de beslagen goederen zouden betreffen die bestemd waren voor de openbare dienst. De Nederlandse Staat heeft de deurwaarder vervolgens aangezegd om de gelegde beslagen op te heffen.

Voorzieningenrechter schorst aanzegging opheffing Staat

Irak was niet verschenen in het kort geding en er was evenmin een verklaring overgelegd aangaande de aard van de betreffende vorderingen. Volgens de Voorzieningenrechter hadden de vorderingen in ieder geval een gemengde bestemming maar welk gedeelte van de vorderingen een publieke en welk een commerciële bestemming had, was niet vast te stellen. Hij schorste daarom de werking van de ministeriële aanzegging totdat dit in een bodemprocedure opgehelderd zou zijn.

Wanneer sprake van publieke bestemming?

In hoger beroep staat het hof voor de beantwoording van de vraag goederen een publieke bestemming hebben en welke partij dit moet bewijzen. In het volkenrecht wordt algemeen erkend dat tot de goederen met een publieke bestemming in ieder geval behoren een ambassadegebouw, bankrekeningen van de ambassade, belastingvorderingen van een vreemde staat, militaire eigendommen, ontwikkelingsgelden en fondsen van de centrale bank van een vreemde staat.

Presumptie van immuniteit?

De vorderingen waarop in deze zaak beslag is gelegd vloeien voort uit oliecontracten die (Nederlandse) commerciële ondernemingen met Irak hebben gesloten. Hebben deze vorderingen te gelden als goederen met een publieke bestemming? Dit is –ook in appel- niet duidelijk. De Nederlandse Staat gaat echter uit van de presumptie van immuniteit: er geldt een algemeen vermoeden dat eigendommen van een vreemde staat een publieke bestemming hebben. Het zou dan aan de beslaglegger zijn om het tegendeel te bewijzen.

Hof: geen aanwijzingen voor publieke bestemming

Het Hof deelt dit uitgangspunt niet. Het vermoeden van immuniteit geldt als een vreemde staat verklaart dat die goederen een publieke bestemming hebben of als er andere aanwijzingen hiervoor zijn. Maar in deze zaak heeft Irak zich geheel niet uitgelaten over de bestemming van de vorderingen noch zijn er overige aanwijzingen dat de goederen een publieke bestemming hebben. Er is volgens het hof dan ook geen reden hiervan op voorhand uit te gaan.

Relatieve immuniteit wint terrein over absolute immuniteit

Daarbij komt, zo vervolgt het Hof, dat er een tendens is in de rechtspraak en de literatuur om de immuniteit van executie niet al te ruimhartig toe te kennen. Waar vroeger een staat nog een absolute immuniteit kende, geldt tegenwoordig een relatieve: slechts wanneer een staat handelt in de hoedanigheid als overheid wordt immuniteit verleend.