Schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid achteraf gewekt

Thomas van Vugt Thomas van Vugt 27 juli 2015 4 min

Als iemand een overeenkomst sluit namens een ander zonder daarvoor een toereikende volmacht te hebben, kan die ander soms toch gebonden worden aan de gesloten overeenkomst. Dat is bijvoorbeeld het geval als er sprake is van ‘schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid’. In een recent arrest bepaalde de Hoge Raad dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid ook kan blijken uit gedragingen van ná het sluiten van de overeenkomst. Advocaat verbintenissenrecht Thomas van Vugt bespreekt het arrest.

Geschil over koop en levering onroerend goed

Het geschil gaat kort gezegd over het volgende. Appellanten in cassatie zijn echtgenoten. De man exploiteert sinds 1980 in een pand dat hij van de Gemeente Dronten huurt een fysiotherapiepraktijk. In 1995 verkoopt de gemeente het pand aan de man, waarna de man het pand – voordat het is geleverd – verkoopt aan zijn vrouw. Het recht op levering wordt vervolgens aan zijn vrouw gecedeerd, en van de cessie wordt mededeling gedaan aan de Gemeente Dronten, die de cessie erkent. Daardoor kon de gemeente uitsluitend nog leveren aan de echtgenote, maar in plaats daarvan wordt het pand in 1999 (kennelijk, zie noot 4 onder de conclusie van de Advocaat Generaal) aan de man geleverd. Appellanten verwijten de gemeente dat zij (1) te laat en (2) onjuist heeft geleverd, en hebben de gemeente daarvoor bij brief van 30 maart 2005 aansprakelijk gesteld.

Vaststellingsovereenkomst met de gemeente

Op 9 november 2009 wordt tussen appellanten en de Gemeente Dronten een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij ‘mr. X’, in dienst bij de gemeente, namens het college van B&W heeft getekend. In die overeenkomst erkent de gemeente dat de levering te laat en niet juist heeft plaatsgevonden, maar betwist zij dat appellanten daardoor schade hebben geleden. Zij komen in de vaststellingsovereenkomst daarom overeen dat een derde partij door middel van bindend advies de schade vaststelt en  dat de Gemeente Dronten de door die vastgestelde schade aan appellanten zou vergoeden. De bindend adviseur stelde de geleden schade vervolgens vast op € 117.995,-. Met rente en kosten gaat het om meer dan € 200.000,-. De gemeente ging echter niet tot betaling over.

Juridisch gevecht tot aan de Hoge Raad

Daarop volgden verschillende procedures: appellanten vorderden in kort geding betaling van het vastgestelde bedrag. Die vordering werd toegewezen, maar in hoger beroep werd het kort gedingvonnis vernietigd: appellanten moesten bijna € 219.000,- aan de gemeente terugbetalen. In een bodemprocedure vorderde de gemeente (kort gezegd) nietigverklaring van de vaststellingsovereenkomst en een verklaring voor recht dat zij niet gebonden was aan het bindend advies. Die vordering werd door de rechtbank toegewezen. Dat vonnis werd in hoger beroep bekrachtigd. Van dat arrest gingen appellanten in cassatie.

Vertegenwoordigingsbevoegdheid mr. X

De vraag of mr. X bevoegd was namens de gemeente te handelen is in cassatie niet zozeer meer aan de orde. Wel is de vraag aan de orde of mr. X de schijn heeft gewekt daartoe bevoegd te zijn. Door appellanten is daarvoor (onder meer) aangevoerd dat de gemeente die schijn heeft gewekt door (i) de kosten van het bindend advies te betalen, (ii) doordat de receptioniste van de gemeente de kort geding dagvaarding direct aan mr. X heeft doorgeleid, (iii) doordat mr. X namens de gemeente in het kort geding is verschenen, en (iv) doordat mr. X persoonlijk een dossier bijhield over de kwestie inzake het pand van appellanten.

Schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid achteraf gewekt

Het Hof heeft over die omstandigheden gesteld dat die omstandigheden niet de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kunnen hebben gewekt, omdat ze zich pas voordeden nadat de vaststellingsovereenkomst was gesloten. De Hoge Raad maakt met dat oordeel echter korte metten, en overweegt in één enkele zin dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid ook kan berusten op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het sluiten van de overeenkomst. Het gedrag van een onbevoegd vertegenwoordigde contractspartij van na het verrichten van de rechtshandeling is dus wel degelijk van belang bij het beantwoorden van de vraag of voordien de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is gewekt. De Hoge Raad heeft de zaak vervolgens verwezen naar het Gerechtshof Den Bosch voor verdere inhoudelijke afdoening.

Mr. X is door de gemeente overigens ontslagen vanwege zijn handelwijze in deze kwestie.