Hoe zit het met een buitenlandse partij en de proceskosten?
Als een procedure wordt gewonnen, kan de wederpartij in de proceskosten worden veroordeeld. Eerder zetten we uiteen uit welke kosten deze proceskosten bestaan, en hoe de hoogte van de proceskosten wordt vastgesteld (en hoe dit werkt in zaken over intellectuele eigendom, waar vergoeding van de werkelijke proceskosten uitgangspunt is). Maar hoe zit met een met buitenlandse procespartij? Advocaat procesrecht Hidde Reitsma had zo’n kwestie en legt aan de hand van een vonnis incident uit hoe daar mee kan worden omgegaan.
Veroordeling een ‘dode letter’
Als zo’n buitenlandse partij tot betaling van proceskosten wordt veroordeeld, is zo’n veroordeling in sommige gevallen een ‘dode letter’. De kans dat een in het buitenland gevestigde wederpartij zo’n veroordeling gewoon naast zich neerlegt is groter dan in het geval het een Nederlandse partij zou betreffen.
Hoofdregel: zekerheid stellen, anders niet-ontvankelijk
De wetgever heeft in dit risico voorzien en in artikel 224 Rv. bepaald dat een buitenlandse partij verplicht kan worden om vooraf zekerheid te stellen voor die proceskosten die zij zou moeten betalen, als zij de procedure zou verliezen. Dat bedrag aan te verwachten proceskosten moet dan bijvoorbeeld vooraf worden gestort op een derdengeldenrekening en daar blijven staan totdat de procedure is afgerond.
Nederlandse gedaagde
Als zo’n buitenlandse partij desgevraagd geen zekerheid stelt kan dat leiden tot zijn niet-ontvankelijkheid. De vordering tot zekerheidstelling moet als incident worden ingesteld. Het gaat dan meestal om een Nederlandse gedaagde die zo’n vordering tot zekerheid voor proceskosten instelt tegen een buitenlandse eiser.
Diverse uitzonderingen
Dat de vlieger van verplichting tot zekerheidstelling vooraf door buitenlandse partij niet altijd opgaat blijkt uit het volgende vonnis in incident in een procedure waarin AMS Advocaten optrad voor een Amerikaan als eiser. De wederpartij, een Nederlandse bv, vorderde dat de Amerikaanse eiser werd veroordeeld tot het stellen van zekerheid voor proceskosten met bepaling van dat bedrag op € 17.000,=. De Nederlandse bv stelde dat de Amerikaan geen woonplaats in Nederland had, zodat hij op grond van artikel 224 Rv. verplicht was zekerheid te stellen voor de betaling van die mogelijke kosten. De hoofdregel van artikel 224 Rv. noopte daar inderdaad toe.
Verdrag met VS uit 1956
De Amerikaanse eiser beriep zich op artikel 224 lid 2 sub a Rv. waarin als uitzondering op de verplichting tot zekerheidstelling uit het eerste lid van artikel staat genoemd “indien dit voortvloeit uit een verdrag”. De Amerikaanse eiser woonde in de Verenigde Staten en zijn land sloot op 27 maart 1956 met Nederland het Verdrag van Vriendschap, Handel en Scheepvaart. Uit de verdrag en het bij dit verdrag behorende protocol volgt dat onderdanen (en ook vennootschappen) van de Verenigde Staten zullen zijn vrijgesteld van het storten van een waarborgsom voor de proceskosten. Kortom, op de Amerikaanse eiser was een uitzonderingspositie van toepassing.
Amerikaan hoeft geen zekerheid te stellen
Met dank aan dit verdrag uit 1956 hoefde de Amerikaanse eiser geen zekerheid te stellen voor de proceskosten en kon er worden doorgeprocedeerd. Als het gegaan zou zijn om een buitenlandse partij waarop geen uitzondering van toepassing was geweest, dan had hij zekerheid moeten stellen. Als de buitenlandse partij dat vervolgens niet kon of wilde, had dat tot zijn niet-ontvankelijkheid geleid. De procedure was daar dan geëindigd.