Gemeente wil verkoop van kostbaar beeld in Boekelo tegenhouden. Lukt dat?
Recentelijk vond een kort-geding plaats tussen de Gemeente Enschede en een hoteleigenaar uit Boekelo vanwege een kostbaar beeldwerk. Overmorgen doet de voorzieningenrechter in Almelo uitspraak. Advocaat procesrecht Onno Hennis licht de zaak toe en doet een voorspelling over de uitspraak.
Achtergrond van de zaak
Het draait allemaal om een beeldwerk van de Franse kunstenaar Henri Étienne-Martin. In 1968 schonk de NV Koninklijke Nederlandsche Zoutindustrie (KNZ), een voorloper van het huidige Akzo-Nobel, dat beeld aan de gemeenschap van Boekelo.
Recente ontdekking
Sindsdien heeft het beeld vrijwel anoniem op het terrein van het voormalig Bad-Hotel Boekelo (dat destijds ook eigendom was van KNZ) gestaan. Dat veranderde toen een kunstliefhebber kort geleden ontdekte dat het beeld een bijzondere kunsthistorische betekenis heeft. Het bleek dat een beeld uit dezelfde serie op een recente veiling zelfs EUR 150k had opgeleverd.
Hoteleigenaar brengt beeld naar veilinghuis
Toen de huidige eigenaar van het hotel hierachter kwam, heeft hij het beeld direct laten uitgraven en naar Parijs overgebracht om het daar via veilinghuis Christies te verkopen. Daarop startte de Gemeente Enschede een kort-geding met als inzet dat de hoteleigenaar zou worden verplicht het beeld weer terug te plaatsen op zijn oorspronkelijke plek.
Belang van de zaak
Veilinghuis Christies heeft inmiddels laten weten niet over te zullen gaan tot verkoop zolang niet duidelijk is wie eigenaar is van het werk. Blijkens haar bewoordingen is dit een voorlopige beslissing van het veilinghuis. Indien de vordering van de Gemeente dus zou worden afgewezen, zou verkoop via Christies mogelijk weer aan de orde kunnen komen.
Standpunt Gemeente
De Gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat zij als begiftigde eigenaar is geworden van het beeld. Dat is op zich opmerkelijk, omdat uit de mediaberichten volgt dat KNZ het beeld had geschonken aan ‘de gemeenschap Boekelo’ (en niet de Gemeente Enschede). De Gemeente zal hebben betoogd dat zij binnen haar gemeentegrenzen het algemeen belang dient en dat de schenking derhalve moet worden gezien als een schenking aan haar. Verder zal zij hebben gesteld dat zij het eigendom nimmer aan een ander heeft overgedragen.
Standpunt hoteleigenaar
De hoteleigenaar heeft zich (ook) op het standpunt gesteld dat hij eigenaar is van het beeldwerk. Hij zal hebben gesteld dat hij dat is geworden toen hij het eigendom van de grond verkreeg. In principe geldt namelijk dat bij de overdracht van een onroerende zaak alles wat op die grond staat mee over gaat. Door de eigendomsoverdracht heeft de Gemeente geen enkel recht ten aanzien van het beeld, zo zal de hoteleigenaar hebben bepleit.
Rechtsvraag
De rechtsvraag die de voorzieningenrechter dus zal moeten beantwoorden is wie nu precies eigenaar is (geworden) van het beeld. Een voorvraag is echter of het beeldwerk als ‘roerend’ of ‘onroerend’ moet worden aangemerkt. Als het beeld namelijk ‘onroerend’ is, zal het door natrekking eigendom van de hoteleigenaar zijn geworden. Is het beeld daarentegen ‘roerend’, dan moet het eerst ‘bestanddeel’ zijn geworden van het perceel, wil de hoteleigenaar daarvan het eigendom hebben verkregen.
Roerend vs. onroerend?
Een zaak is volgens de wet ‘onroerend’ wanneer het duurzaam met de grond verenigd is. Daarvan is blijkens staande jurisprudentie van de Hoge Raad sprake wanneer het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatste te blijven. Daarvoor is relevant wat de naar buiten kenbare bedoeling van de bouwer is. De verkeersopvattingen worden mede in aanmerking genomen bij de beoordeling of iets bedoeld is om duurzaam ter plaatse te blijven, maar spelen geen doorslaggevende rol.
Bestanddeelvorming
Een ‘roerende’ zaak kan ook eigendom worden van een derde, wanneer die zaak een ‘bestanddeel’ vormt van een andere zaak. Daarvan zou sprake zijn indien het beeld volgens de verkeersopvatting moet worden gezien als een onlosmakelijk onderdeel van het perceel, althans dat het beeld zodanig met de grond verbonden is dat dit niet zonder beschadigingen kan worden verwijderd.
Uitgraven beeld
De Gemeente zal dus hebben betoogd dat het beeld niet duurzaam met de grond verenigd was, noch dat het bestanddeel is geworden van de grond. Daarvoor zal zij de rechter op de foto’s van het uitgraven van het beeld hebben gewezen, waaruit blijkt dat het beeld binnen enkele uren kon worden verwijderd en naar Parijs worden gebracht. Verder zal de Gemeente mogelijk hebben gesteld dat het nimmer de bedoeling van Étienne-Martin zal zijn geweest dat het beeldwerk voor altijd in Boekelo zou staan.
Tegenargumenten hoteleigenaar
Daartegenover zal de hoteleigenaar hebben gesteld dat het 500 kilo zware beeld wel constructief met het perceel verenigd was en dat het een hele operatie was om het beeld uit de grond te krijgen. Verder zal de hoteleigenaar mogelijk hebben gesteld dat het beeld niet aan de Gemeente, maar aan de gemeenschap van Boekelo is geschonken en dat de Gemeente dus überhaupt nimmer eigenaar was en dus niet-ontvankelijk in haar vorderingen.
Voorspelling
Net als bij WK-wedstrijden is een juiste uitslag voorspellen vaak meer geluk dan wijsheid. Niettemin is het mijn verwachting dat de rechter de hoteleigenaar in het gelijk zal stellen. In het kort-geding zal het namelijk voorshands aannemelijk moeten zijn dat de Gemeente eigenaar is geworden en gebleven van het beeldwerk. Dat is een hoge drempel en in mijn ogen bestaan daarover teveel onzekerheden. Die onzekerheden liggen zowel in de verwerving van het eigendom (via de schenking), als de wijze waarop het beeld was verankerd in de grond.
Hoe verder?
Als de voorzieningenrechter de vordering inderdaad afwijst, zou de hoteleigenaar het beeld opnieuw ter veiling kunnen aanbieden. De Gemeente heeft dan nog wel mogelijkheden om een snelle verkoop (voorlopig) te voorkomen. De inzet van de procedure was namelijk dat de hoteleigenaar het beeld zou moeten terugplaatsen (en niet dat hij het niet mocht verkopen). De Gemeente zou in dat geval de kwestie nog kunnen voorleggen in een bodemprocedure en kunnen verzoeken – wederom in kort-geding – dat het beeld hangende die procedure niet zal mogen worden verkocht. Maar als de bodemrechter tot dezelfde conclusie komt, is een dergelijke nieuwe procedure slechts uitstel (en geen afstel).
Schikking
Ter voorkoming van een nadere rechtsgang zouden partijen er ook onderling uit kunnen komen. Dat is kennelijk ook iets waar de voorzieningenrechter op aanstuurde. De zaak lijkt zich daar ook voor te lenen. Het lijkt er echter op dat partijen principieel in de kwestie staan, hetgeen gezien de voorgeschiedenis van deze zaak ook niet verwonderlijk is. De hoteleigenaar wil kennelijk (ruimhartig) betaald worden en de Gemeente wil het beeld graag behouden. Wellicht zou een goede mediator partijen nader tot elkaar kunnen brengen?