De partij die een vordering heeft op haar wederpartij, heeft – behoudens hoger beroep – maar één kans om de wederpartij in rechte veroordeeld te krijgen. Dat betekent dat als de schuldeiser het bewijs de eerste keer niet rond heeft, en niet in hoger beroep gaat, hij niet opnieuw kan gaan procederen als hij het bewijs heeft verzameld: dat is in strijd met de rechtszekerheid, bevestigde de rechtbank Midden-Nederland in een recent vonnis. Procesrecht advocaat Thomas van Vugt bespreekt de uitspraak.
Ongedaanmakingsverplichtingen over en weer
In deze procedure speelde het volgende. De eiser heeft met gedaagde een overeenkomst gesloten waarbij gedaagde een participatiebewijs in een Frans vastgoedproject heeft verkocht aan eiser. Eiser betaalde daarvoor € 20.500,- aan gedaagde en het participatiebewijs is aan hem geleverd. Op grond van een in de overeenkomst opgenomen ontbindende voorwaarde, heeft eiser vervolgens de overeenkomst ontbonden. Daardoor zijn over en weer ongedaanmakingsverplichtingen ontstaan, namelijk tot terugbetaling door gedaagde aan eiser van de betaalde koopsom, en tot teruglevering door eiser aan gedaagde van het participatiebewijs.
Na lange zoektocht toch bewijs verzameld
In de eerste procedure heeft eiser gevorderd dat de gedaagde moet terugbetalen. De vordering van eiser is in die procedure afgewezen, omdat hij niet kon bewijzen dat hij het participatiebewijs aan gedaagde had teruggeleverd. Eiser is niet in hoger beroep gegaan, zodat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan (definitief is geworden). In de tweede procedure heeft eiser gesteld dat hij – na een lange zoektocht en veel inspanningen – er inmiddels in is geslaagd bewijs te leveren van het terugleveren van de participatiebewijzen. De kantonrechter maakt met de vordering van eiser echter korte metten.
Hoger beroep of herroeping, maar geen tweede ronde
De rechtszekerheid dicteert dat procedures tot een definitief einde moeten kunnen komen, zonder dat partijen steeds maar opnieuw kunnen beginnen. Als een partij zich niet kan verenigen met een vonnis, dan kan zij daartegen hoger beroep instellen. Dat brengt met zich dat partijen geen tweede kans krijgen om hun bewijsmiddelen in een opvolgend proces aan te vullen: ze zijn er zelf verantwoordelijk voor om pas een procedure te starten als alle bewijsmiddelen rond zijn. De enige uitzondering is wanneer er bedrog is gepleegd door de wederpartij in de procedure, het vonnis is gebaseerd op valse stukken of als de wederpartij beslissende stukken heeft achtergehouden. In dat geval kan een vonnis herroepen worden, maar ook dat is wat anders dan opnieuw een procedure starten.
‘Nieuwe ronde, nieuwe kansen? Nee!’
Kortom: je kunt niet ‘opnieuw beginnen’ als je pas later de aan de vordering ten grondslag liggende stukken hebt verzameld. Zoals de inhoudsindicatie van het vonnis op rechtspraak.nl (onbedoeld?) komisch maar treffend stelt:
“Eiser zegt het bewijs nu rond te hebben wat hij niet voor elkaar had tijdens de eerste procedure, waarin de vordering op die grond werd afgewezen. Nieuwe ronde, nieuwe kansen? Nee!”
Mijn advies is daarom om, als je het bewijs nog niet sluitend hebt maar je vorderingsrecht niet wilt verliezen, de vordering te stuiten. Een stuitingsbrief moet wel aan specifieke wettelijke voorwaarden voldoen, om haar werking te hebben. Let er bovendien op dat voor verschillende vorderingen een andere verjaringstermijn kan gelden, en ook dat bepaalde vorderingen niet gestuit kunnen worden: die kennen een vervaltermijn.