Faillissementsafdrachten tellen mee als eerste aflossing in de WSNP
In het kort
- Afdrachten tijdens faillissement kunnen meetellen als eerste aflossing ex art. 349a lid 1 Fw.
- WSNP-termijn kan beginnen op datum eerste boedelafdracht, vóór WSNP-toelating.
- Geldt bij omzetting faillissement via art. 15b Fw naar WSNP.
- Hoogte boedelsaldo en schuldenlast zijn in beginsel niet relevant.
- Verklaring curator over akkoordonderzoek kan verklaring art. 285 lid 1 onder f Fw vervangen.
- Bij een eerder faillissement dat is opgeheven bij gebrek aan baten kan geen eerder aanvangsmoment gelden, als de schuldenaar hierna de WSNP aanvraagt.
Wanneer een faillissement van een natuurlijke persoon wordt omgezet naar de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) rijst de vraag of afdrachten die de schuldenaar tijdens het faillissement aan de boedel heeft gedaan kunnen gelden als ‘eerste aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw. Die vraag is niet onbelangrijk, want een eerdere ingangsdatum kan de WSNP uiteraard aanzienlijk bekorten. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat dit inderdaad mogelijk is. Insolventierechtadvocaat Hidde Reitsma legt uit.
Achtergrond: de wetswijziging van 1 juli 2023
Vóór 1 juli 2023 ving de WSNP altijd aan op het moment van de rechterlijke uitspraak waarbij de toepassing werd uitgesproken. De Wet van 10 februari 2023 (Stb. 2023, 87) heeft daarin verandering gebracht door in art. 349a lid 1 Fw de mogelijkheid op te nemen om een eerder aanvangsmoment vast te stellen, namelijk de dag waarop de schuldenaar zijn eerste aflossing heeft verricht in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in art. 285 lid 1 onder f Fw.
De ratio is helder: schuldenaren die al langere tijd serieus werken aan schuldaflossing in een minnelijk traject, verdienen een WSNP-termijn die daarmee rekening houdt. Het gevolg is dat de termijn van art. 349a lid 1 Fw – sinds 1 juli 2023 anderhalf jaar – eerder begint te lopen, wat de regeling in het gunstigste geval al gedeeltelijk ‘opgesoupeerd’ doet zijn op het moment van toelating.
Wat de wetgever bij die wetswijziging niet heeft geregeld, is de situatie waarin geen minnelijk traject is doorlopen maar een faillissement aan de WSNP voorafgaat. De prejudiciële vragen in deze zaak stellen die lacune scherp.
De feiten: faillissement, afdrachten en omzetting
Een man wordt op 8 november 2022 op eigen aangifte failliet verklaard. Kort daarna treedt hij in loondienst en verricht hij op 29 november 2022 zijn eerste afdracht aan de boedel boven het vrij te laten bedrag (vtlb). Hij doet dat geregeld; het boedelsaldo groeit tot ruim € 75.000 in juni 2024. Een faillissementsakkoord op de voet van art. 138 Fw blijkt echter niet haalbaar omdat geen derde bereid is een akkoordsom te verstrekken.
Op 23 december 2024 verzoekt de man het faillissement om te zetten in de WSNP (art. 15b Fw). Bij vonnis van 11 maart 2025 wordt dat verzoek toegewezen. Het verzoek om als ingangsdatum 29 november 2022 vast te stellen, stuit echter af: de rechtbank oordeelt dat geen sprake was van een aflossing in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in art. 285 lid 1 onder f Fw. In hoger beroep stellen de schuldenaren dat boedelafdrachten daarmee gelijkgesteld moeten worden.
De prejudiciële vragen en het oordeel van de Hoge Raad
Het hof stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Belangrijkste vraag: kunnen afdrachten tijdens een voorafgaand faillissement gelden als ‘eerste aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw wanneer het faillissement via art. 15b Fw wordt omgezet in de WSNP?
De Hoge Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat het alternatieve aanvangsmoment van art. 349a lid 1 Fw ook gelegen kan zijn op de dag van de eerste afdracht tijdens het voorafgaande faillissement. Zowel in een schuldhulpverleningstraject als in een faillissement staat vast dat de schuldenaar zijn schulden redelijkerwijs niet geheel zal kunnen voldoen, en in beide situaties worden inkomsten boven het vtlb aangewend ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. De trajecten zijn functioneel vergelijkbaar, en de wetgeving is er op gericht faillissementen van natuurlijke personen waar mogelijk om te zetten in de WSNP. Het is dan niet goed te rechtvaardigen dat schuldenaren die al tijdens het faillissement substantieel hebben afgedragen, voor de berekening van de WSNP-termijn worden behandeld alsof zij nooit iets hebben betaald.
De tweede deelvraag, namelijk of hetzelfde geldt bij een faillissement dat niet wordt omgezet maar wordt opgeheven wegens gebrek aan baten (art. 16 Fw), gevolgd door een zelfstandig WSNP-verzoek, beantwoordt de Hoge Raad ontkennend. In dat geval sluiten het faillissement en de schuldsanering in tijd niet op elkaar aan, zodat er een periode is waarin de schuldenaar aan geen van beide regimes gebonden is. Een afdracht in een zo opgeheven faillissement kan daarom niet op één lijn worden gesteld met de eerste aflossing van art. 349a lid 1 Fw.
Hoogte van het boedelsaldo: in beginsel niet relevant
Een praktisch punt dat de Hoge Raad bespreekt is de vraag of de omvang van het boedelsaldo, de hoogte van de schuldenlast of het curatorssalaris een rol spelen bij de vaststelling van het aanvangsmoment. Het antwoord is ontkennend: net zoals in het minnelijke traject de hoogte van de aflossingen niet bepalend is voor het recht op een eerder aanvangsmoment, gelden die financiële variabelen in beginsel ook niet als voorwaarde bij faillissementsafdrachten.
Een nuance geldt wanneer de schuldenaar een verwijt treft voor de hoogte van het saldo of de omvang van de kosten. In dat geval kan de rechter die omstandigheid betrekken bij de vaststelling van het aanvangsmoment of bij een eventuele verlenging van de termijn. De Hoge Raad laat daarmee ruimte voor correcties via het verwijtvereiste, zonder dat dit een automatische drempel wordt voor iedere schuldenaar die via art. 15b Fw de WSNP instroomt.
De curatorsverklaring als equivalent van art. 285 lid 1 onder f Fw
Art. 349a lid 1 Fw koppelt het alternatieve aanvangsmoment aan een aflossing in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in art. 285 lid 1 onder f Fw. Dat artikel vereist een verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn voor een buitengerechtelijke schuldregeling. Bij een via art. 15b Fw omgezet faillissement ontbreekt uiteraard zo’n verklaring van een schuldhulpverlenende instantie.
De Hoge Raad oordeelt dat de verklaring van de curator dat hij de mogelijkheid van een faillissementsakkoord heeft onderzocht, gelijkgesteld kan worden met de verklaring als bedoeld in art. 285 lid 1 onder f Fw. Dat oordeel knoopt aan bij eerdere rechtspraak: HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:589, zoals gecorrigeerd in HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:696. De curator hoeft dus geen uitgebreide minnelijke schuldhulpverleningsprocedure te hebben doorlopen; zijn onderzoek naar de haalbaarheid van een akkoord volstaat als functioneel equivalent.
Betekenis voor de praktijk
Voor schuldenaren van wie het faillissement via art. 15b Fw wordt omgezet in de WSNP, opent deze beslissing de concrete mogelijkheid om de WSNP-termijn aanzienlijk te bekorten. De ingangsdatum kan worden gesteld op de dag van de eerste afdracht aan de boedel, die in dit geval al op 29 november 2022 plaatsvond. Afhankelijk van de feiten kan dat betekenen dat een deel van de anderhalfjaarstermijn al is verstreken op het moment van toelating, of in het uiterste geval dat de termijn al volledig is doorlopen.
Voor curatoren brengt het arrest mee dat zij er goed aan doen de datum van de eerste boedelafdracht zorgvuldig vast te leggen en in hun rapportage te documenteren dat zij de mogelijkheid van een faillissementsakkoord hebben onderzocht. Zonder die verklaring kan de schuldenaar de gelijkstelling met art. 285 lid 1 onder f Fw niet inroepen.
De Hoge Raad overweegt tot slot ook dat in de situatie van een schuldenaar wiens faillissement wordt opgeheven wegens gebrek aan baten en op de voet van art. 16 Fw, en die vervolgens zelfstandig de WSNP aanvraagt de in faillissement gedane afdrachten niet kunnen leiden tot een eerder aanvangsmoment, omdat er in die situatie altijd een tijdspanne zal zijn waarin de schuldenaar noch onder het regime van de Faillissementswet valt, noch gebonden is aan in een schuldhulpverleningstraject geldende voorwaarden.
Hidde Reitsma
Advocaat bij AMS Advocaten
Hidde Reitsma is advocaat, curator en medeoprichter van AMS Advocaten. Hij is sinds 2002 advocaat en heeft bijna 20 jaar ervaring als curator in faillissementen. Hidde voltooide twee specialisatieopleidingen aan de Grotius Academie, waaronder de INSOLAD/Grotius-opleiding Insolventierecht (cum laude). Hij procedeert regelmatig bij de Ondernemingskamer en is gespecialiseerd in insolventierecht, ondernemingsrecht en erfrecht.
Bekijk het profiel van Hidde