Indien uw onderneming of de onderlinge samenwerking te lijden heeft onder de handelswijze van of een geschil tussen aandeelhouders, dan zult u al snel de mogelijkheden willen onderzoeken om van de betreffende aandeelhouder af te komen. Doorgaans is dat niet eenvoudig. Vanwege het besloten karakter van een BV kan een aandeelhouder in beginsel niet tegen zijn zin gedwongen worden om zijn aandelen over te dragen. Uitgangspunt is dus dat met de betreffende aandeelhouder overeenstemming zal moeten worden bereikt over de verkoop van zijn aandelen. Dat is in een aantal gevallen anders.
Exit bepalingen
Allereerst kan het zo zijn dat voorafgaand aan de samenwerking afspraken zijn gemaakt voor situaties waarin je wel afscheid kunt nemen van een aandeelhouder. Die afspraken kunnen vastliggen in de statuten van de vennootschap of in een aandeelhoudersovereenkomst.
Zo kan worden opgenomen dat een aandeelhouder verplicht is zijn aandelen aan te bieden als hij de controle over de aandelen verliest (bijvoorbeeld door een change of control). Ook het niet (langer) voldoen aan een statutaire kwaliteitseis (bijvoorbeeld ten aanzien van de hoedanigheid of persoonlijke capaciteiten van de aandeelhouder) kan een reden voor een verplichte aanbieding van de aandelen zijn.
Andere veel voorkomende regelingen zijn de ‘good leaver’ en ‘bad leaver’-bepalingen die ertoe leiden dat als een bestuurder tevens aandeelhouder in zijn hoedanigheid van bestuurder vertrekt deze ook verplicht is zijn aandelen aan te bieden. Ook zijn in aandeelhoudersovereenkomsten vaak ‘drag along’ en ‘tag along’-regelingen opgenomen. Die bepalen dat bij een bod van een bona fide derde partij de meerderheidsaandeelhouder de minderheidsaandeelhouder(s) kan verplichten om hun aandelen mee te verkopen, respectievelijk de meerderheidsaandeelhouder door de minderheidsaandeelhouder kan worden verplicht met de derde overeen te komen dat ook de aandelen van de minderheidsaandeelhouder worden mee verkocht, een en ander tegen dezelfde voorwaarden.
De statuten en/of aandeelhoudersovereenkomst bepalen vaak in een zelfstandige regeling hoe de koopprijs wordt bepaald. Daarbij kan ook zijn bepaald dat de koopprijs voor de aandelen vanwege een bepaalde gedraging (bijvoorbeeld in het geval van een ‘bad leaver’-situatie) zal worden verlaagd (dikwijls tot de nominale waarde).
Uitstootprocedure
Wanneer er geen exitbepalingen zijn overeengekomen, biedt de wet sinds 1 januari 2025 een effectiever instrument om afscheid te nemen van een aandeelhouder dan voorheen. Op die datum is de Wet aanpassing geschillenregeling en verduidelijking ontvankelijkheidseisen enquêteprocedure (Wagevoe) in werking getreden, die de uitstootprocedure op een aantal punten ingrijpend heeft gemoderniseerd.
Eén of meer aandeelhouders die samen ten minste een derde van het geplaatste kapitaal houden, kunnen vorderen dat een medeaandeelhouder zijn aandelen gedwongen overdraagt. De maatstaf is dat die aandeelhouder “door zijn gedragingen, al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder, het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld” (artikel 2:336a BW).
De belangrijkste verruiming zit in de woorden “al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder”. Onder het oude recht gold een zogenoemd hoedanigheidsvereiste: alleen gedragingen die de aandeelhouder juist in díe hoedanigheid verrichtte, konden tot uitstoting leiden. Dat vereiste bleek in de praktijk lastig hanteerbaar, vooral wanneer een aandeelhouder tevens bestuurder was: het was dan niet altijd te onderscheiden of een handeling was verricht als aandeelhouder of als bestuurder. Met de Wagevoe is dit hoedanigheidsvereiste geschrapt. Voortaan tellen álle gedragingen mee die aan de aandeelhouder kunnen worden toegerekend, ongeacht de hoedanigheid waarin hij handelde – dus ook optreden als bestuurder, werknemer of zelfs daarbuiten. Te denken valt aan het beconcurreren van de vennootschap, het onttrekken van gelden, of het doelbewust blokkeren van noodzakelijke besluiten. Daarmee ligt de drempel voor toewijzing aanmerkelijk lager dan onder het oude recht.
Voor toewijzing blijft wel vereist dat het gedrag het belang van de vennootschap daadwerkelijk schaadt; een enkele ruzie of karakterbotsing is onvoldoende. De Ondernemingskamer weegt vervolgens af of voortzetting van het aandeelhouderschap, gelet op de ernst van de gedragingen en de gevolgen voor de vennootschap en de overige betrokkenen, nog aanvaardbaar is.
Ook procedureel is de regeling efficiënter geworden. De uitstootprocedure verloopt sinds 1 januari 2025 als verzoekschriftprocedure bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam, die als enige feitelijke instantie oordeelt; hoger beroep is niet mogelijk en alleen cassatie staat open. Voorheen moest de procedure bij dagvaarding bij de rechtbank worden ingeleid en kende zij twee feitelijke instanties. De procedure blijft inhoudelijk wel uit twee onderdelen bestaan: eerst beoordeelt de Ondernemingskamer of de vordering tot gedwongen overdracht toewijsbaar is, en pas daarna wordt – doorgaans na benoeming van een deskundige – de prijs van de aandelen vastgesteld.
Uittreedprocedure
De omgekeerde situatie doet zich voor wanneer een (minderheids)aandeelhouder vanwege een geschil of de handelwijze van zijn medeaandeelhouder(s) niet langer in de vennootschap wil blijven, maar de andere aandeelhouder(s) niet bereid zijn zijn aandelen vrijwillig over te nemen. Onder bepaalde omstandigheden biedt de wet een dergelijke “beknelde” aandeelhouder de mogelijkheid om uit te treden: hij kan vorderen dat zijn aandelen gedwongen worden overgenomen wanneer hij “door gedragingen van een of meer medeaandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen wordt geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd”.
Allerlei gedragingen kunnen tot toewijzing leiden. Het hoeft niet te gaan om misdragingen, en evenmin om gedrag dat in de hoedanigheid van aandeelhouder is verricht; iedere gedraging die de rechten of belangen van de uittredende aandeelhouder schaadt, kan meewegen. Sinds de wetswijziging is bovendien verduidelijkt dat niet alleen gedragingen van medeaandeelhouders, maar ook gedragingen van de vennootschap zelf grond voor uittreding kunnen opleveren. In dat geval kan de Ondernemingskamer op verzoek van de aandeelhouder ook bevelen dat de vennootschap zijn aandelen overneemt.
Uit de rechtspraak komt een breed scala aan gedragingen naar voren die, vaak in onderling verband, een uittreding kunnen dragen: het zonder goede grond structureel blokkeren van dividenduitkeringen, het schenden van informatierechten, het buitenspel zetten van de aandeelhouder in de algemene vergadering of als bestuurder, en het ontslag als bestuurder in combinatie met omstandigheden waaruit blijkt dat de aandeelhouder daardoor bekneld is geraakt. Het enkele feit dat een minderheidsaandeelhouder geen invloed op de besluitvorming kan uitoefenen, of dat de verhoudingen verstoord zijn, is op zichzelf doorgaans onvoldoende; veelal is een samenstel van omstandigheden vereist.
Net als de uitstootprocedure is dit geen eenvoudige procedure. De toets is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval, en in de rechtspraak worden hoge eisen gesteld voordat een uittreding wordt toegewezen. Sinds 1 januari 2025 wordt de uittredingsvordering – net als de uitstoot – als verzoekschriftprocedure bij de Ondernemingskamer gevoerd, die als enige feitelijke instantie oordeelt. De procedure kent inhoudelijk twee onderdelen: eerst beoordeelt de Ondernemingskamer of de vordering toewijsbaar is, en pas daarna wordt – doorgaans na benoeming van een deskundige – de prijs van de aandelen vastgesteld. Bij die prijsvaststelling kan de Ondernemingskamer een billijke verhoging toepassen wegens gedragingen van de verweerder.
Uitkoopprocedure (squeeze-out)
Los van de uitstoot- en uittreedprocedure is het in bijzondere omstandigheden ook mogelijk om een zeer kleine minderheidsaandeelhouder ‘uit te kopen’. De wet biedt namelijk de mogelijkheid aan een of meer aandeelhouders die tezamen 95% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen om in een procedure bij de Ondernemingskamer de minderheidsaandeelhouder(s) te dwingen hun aandelen over te dragen tegen een door een waarderingsdeskundige in de procedure bepaalde prijs.
Aandelenwaardering
In onze praktijk zien wij vaak dat tussen aandeelhouders consensus bestaat of ontstaat over het feit dat ‘de wegen moeten scheiden’, maar dat zij er niet uitkomen wat de prijs voor de aandelen dan moet zijn. Verder heeft de hoogte van de koopprijs voor de aandelen ook invloed op de vraag of iemand bereid is om te vertrekken. Dat heeft er uiteraard mee te maken dat een vertrekkende aandeelhouder een hoge prijs voor zijn aandelen wil ontvangen, terwijl de blijvende aandeelhouder(s) zo min mogelijk willen betalen. Dikwijls geeft de vertrekkende aandeelhouder dan ook aan dat hij voor het geboden bedrag de aandelen van de andere aandeelhouder(s) wil overnemen.
Voor dergelijke situatie zijn verschillende (exotische) oplossingen denkbaar, zoals de ‘Texas Shoot-out’, ‘Mexican Shoot-out’ en ‘Russian roulette’. De wet biedt in zo’n situatie ook de mogelijkheid om de rechter te vragen de koopprijs – na advies van een waarderingsdeskundige – bindend vast te stellen. In de praktijk maken partijen echter onderling afspraken hierover en komen zij overeen dat een door hen ingeschakelde onafhankelijke waarderingsdeskundige de koopprijs bij wege van bindend advies zal vaststellen.
AMS Advocaten
AMS heeft ruime ervaring bij alle hiervoor genoemde regelingen en scenario’s. Wij zijn dan ook goed in staat om u te begeleiden bij het proces van het uitkopen van een medeaandeelhouder of het uitgekocht worden.